Vrome avonturen van Sint Brendaan

Over het historische leven van de heilige Brandaan, of Brendaan, is zo goed als niets bekend. Brendaan was een Ierse abt uit de zesde eeuw, die veel kloosters stichtte en mogelijk ook riskante zeereizen ondernam. Meer valt er over hem niet te weten. Maar de overlevering weet altijd meer, en soms zoveel meer dat iemand lang na zijn dood tot een `levende legende' wordt.

Zo ook Brendaan, die pas echt beroemd werd vanaf de negende eeuw, toen verhalen die over hem de ronde deden hun neerslag vonden in een Latijnse tekst over zijn `wonderbare reizen'. Die tekst verbreidde zijn roem over heel Europa en gaf aanleiding tot veel vertalingen en bewerkingen, waarvan de Middelnederlandse tekst De reis van Sinte Brandaen, uit de twaalfde eeuw, er een was.

Onder de titel De zeereis van de heilige Brendaan is nu ook deze Latijnse tekst, de Navigatio sancti Brendani, in het Nederlands vertaald. En voor wie weinig vertrouwd is met teksten uit de vroege Middeleeuwen is dat merkwaardige lectuur. Wie deze Zeereis wil vergelijken met andere legendarische zeereizen zoals de Odyssee of de avonturen van Sinbad de Zeeman, uit De vertellingen van duizend en een nacht kan bijna niet anders dan teleurgesteld worden: naast zulke spannende avonturen verbleken die van deze Brendaan tot een serie vrome bidprentjes.

De populariteit die deze tekst vanaf de tiende eeuw heeft genoten lijkt alleen verklaarbaar vanuit de monastieke achtergrond: de tekst is duidelijk geschreven door een kloosterling, en bedoeld voor kloosterlingen. Aan kloosters was er geen gebrek en men kan zich voorstellen dat het voor die tienduizenden monniken al een aardige afwisseling was om eens iets anders te horen dan de eindeloze litanie van steeds weer dezelfde liturgische teksten.

De zeereis van de heilige Brendaan vertelt het verhaal van een zeven jaar durende zeereis, die Brendaan ondernam na het horen van een verhaal over een eiland dat `Het Beloofde Land van de Heiligen' heet. Die reis voert hem langs allerlei eilanden, en merkwaardigerwijs keert hij met Pasen, Pinksteren en Kerst steeds op dezelfde eilanden terug – wat het allegorisch karakter van zijn reis duidelijk onderstreept.

Echt spannend wordt het nergens, maar curieus is het zeker: zo is er het eiland van de vogels, die niets anders doen dan psalmen zingen tot lof van de Heer, en een eiland dat een reusachtige vis blijkt te zijn, die luistert naar de naam Jasconius. Zoals meestal is het het Kwaad dat voor een beetje leven in de brouwerij zorgt: vanaf een eiland dat vol met smidsen staat, worden ze bedreigd door `barbaren' die hen bekogelen met gloeiende sintels en ergens in die verdoemde regionen ontdekken ze zelfs de hel. Dat blijkt een eiland met vuurspuwende vulkanen, waar het gezelschap een broeder die gezondigd heeft, moet achterlaten.

Een eind verderop zit Judas moederziel alleen op een rots. Toch blijkt hij het er uitstekend naar zijn zin te hebben, want hier mag hij elke zondag even bijkomen van zijn helse martelingen in de vulkaan. Hij smeekt Brendaan hem een nachtje extra te beschermen tegen de demonen die hem terug zullen voeren naar de vulkaan – en dat lukt. Waaruit mag blijken dat er zelfs voor de grootste zondaar soms nog een lichtpuntje bestaat.

Als Brendaan en zijn broeders uiteindelijk het Beloofde Land van de Heiligen bereiken, dat in een dichte mist is gehuld, blijkt daar bijzonder weinig te beleven, en ze zijn snel weer terug in Ierland, waar Brendaan ten slotte tevreden sterft.

Wie de levendige avonturen van Sint Brandaan uit de latere Middelnederlandse versie kent (die met de vertaling van Willem Wilmink een paar jaar geleden opnieuw werd uitgegeven bij Prometheus), kan constateren dat een wat minder vrome verbeelding aanzienlijk beter raad wist met Brendaans lotgevallen. De Navigatio is geschreven door iemand die meer oog had voor christelijke symboliek dan voor de literaire en dramatische mogelijkheden van zijn stof. Opmerkelijk is ook dat kwesties van proviand en bevoorrading bijna evenveel aandacht opeisen als de wonderen waar Brendaan en zijn broeders getuige van zijn. Dit praktische aspect is het enige realistische aan hun avonturen. (Ik zou erop durven gokken dat de monnik die dit op schrift stelde hoofd van de provisiekamer was).

De vertaler Vincent Hunink, die een enthousiast voorwoord schreef, noemt het verhaal `abstract'. Niet ten onrechte, want alles wat Brendaan en zijn mannen meemaken, staat in het teken van Gods grootheid en goedheid en de zeereis is niet meer dan een metafoor voor een leven in dienst van God.

Als het werk van een naïeve, zeer gelovige geest geeft de Navigatio een interessant inkijkje in het geloofsleven van middeleeuwse monniken. Maar de vertaling van deze brontekst maakt ook duidelijk dat de bron niet altijd de beste plaats is om je dorst te lessen. Literair gesproken dan.

Sommige bronnen doen een beetje denken aan die `glasheldere' bron die Brendaan en zijn broeders ergens tegenkomen: wie ervan drinkt, valt onmiddellijk in slaap. (Wat Brendaan overigens niet verhindert, er een voorraad in te laten slaan.) Zo slaapverwekkend is deze tekst gelukkig niet, maar de charmes ervan zijn toch meer van cultuurhistorische dan van literaire aard. Net als dat water blijkt sommige verhaalstof pas echt verkwikkend als ze, ver van de bron, wordt opgediend door een echte verteller.

Niettemin: de goede Brendaan zij geprezen. Wat hij ook precies op zee heeft uitgespookt (er zijn nog altijd mensen die menen dat hij Amerika heeft ontdekt), dat hij de verbeelding van het nageslacht heeft geprikkeld is niet zijn geringste verdienste.

De zeereis van de heilige Brendaan. Uit het Latijn vertaald en toegelicht door Vincent Hunink. Atheneum-Polak & Van Gennep, 68 blz. ƒ39,70