Rumoer in een slapend huis

De Berliner Philharmoniker krijgen een nieuwe chef-dirigent: Simon Rattle heeft ingrijpende plannen met het orkest.

Gek zijn ze nu al in Duitsland en vooral in Berlijn met Sir Simon Rattle, de Britse dirigent die in september 2002 chef-dirigent wordt van de Berliner Philharmoniker. De twee uitvoeringen van de Tiende symfonie van Mahler die Rattle eind vorige maand met zijn toekomstige orkest gaf, hadden een stormachtig succes. Koppen in de Frankfurter Allgemeine Zeitung luidden: `De muzikant en zijn wonderinstrument' en `De begeerde'. ,,De jubel was grenzeloos'', schreef de krant over de ovaties voor de grijze krullenbol, die zo olijk en jong, maar tegelijk ook zo verstandig en gezaghebbend oogt.

Rattle beleefde in Berlijn zijn finest hour. Hij voelde zich naar eigen zeggen `een gekozen paus' en Mahlers Tiende symfonie is zijn lievelingsstuk. Drie jaar geleden dirigeerde Rattle het werk ook al bij de Berliner. Toen was de kritiek in de Berlijnse muziekpers vernietigend. Er was sprake van een `starre strijkersklank' en een gebrek aan `precisie en totaalcontrole'. Dat alles was nu anders of in ieder geval vergeten en vergeven. De recent gemaakte live-opnamen van Mahlers Tiende komen op cd en zullen ongetwijfeld worden bestempeld als `historisch'.

Begin september was Rattle al even in Berlijn. Hij stond toen echter niet voor de Berliner, maar dirigeerde de Wiener Philharmoniker in de Tweede symfonie van Mahler. Ook toen werd de Berlijnse publieke bijval voor Rattle beschreven als `een triomf'. Een paar weken later stond hij voor het eerst na zijn benoeming op een van 's werelds belangrijkste muzikale posten, voor zijn toekomstige orkest. In juni kozen de Berlijnse musici de 44-jarige tijdens een geheime stemming als opvolger van Claudio Abbado (66), die het over drie jaar wat kalmer aan wil gaan doen. Tien jaar geleden, toen Abbado werd gekozen als chef-dirigent, was Rattle ook al een kandidaat, maar met zijn 34 jaar vond hij zich toen nog te jong als opvolger van Herbert von Karajan.

Simon Rattle, die meer dan andere topdirigenten prijs stelt op rust en tijd voor studie en contemplatie, was tussen de repetities en uitvoeringen druk, druk, druk. De hele muziekpers en –industrie wilde hem spreken, interviewen, afspraken met hem maken of plannen doornemen. Maar verreweg de meesten brachten het ook na lang antichambreren niet tot een audiëntie met de nieuwe Duitse muziekkeizer. Tussendoor onderhandelde Rattle met de Berlijnse stadsregering over zijn contract, want dat is nog niet rond. Het gaat daarbij om geld en om macht, en dat ligt in Berlijn heel ingewikkeld.

Zelfbestuur

Het Berliner Philharmonisches Orchester wordt gesubsidieerd door de overheid en speelt in de Berlijnse concertzaal de `Philharmonie'. Anders dan de meeste orkesten, heeft het zelfbestuur. De musici zijn de baas en kiezen zelf hun managers en hun chef-dirigent. Bij optredens buiten de Philharmonie en bij plaatopnamen heten de musici van het Berliner Philharmonisches Orchester de `Berliner Philharmoniker' en werken ze voor eigen rekening. In de praktijk overlappen de activiteiten elkaar en dat schept complicaties in de verhoudingen tussen orkest, musici, chef-dirigent en subsidiënt.

De enige keer dat Rattle over zijn plannen en zijn visie op de toekomst tot de buitenwereld sprak, was tijdens een druk bezochte persconferentie. De verslagen over wat hij daar had te vertellen, variëren opmerkelijk. De Frankfurter Allgemeine: ,,Na tien minuten glanzende retoriek grijnst hij lief in het rond: `Ziet u, ik heb niets gezegd'. De pershyena's, zeer geamuseerd, spinnen als katten.'' Volgens de krant zei Rattle nauwelijks iets concreets over de toekomstige muziekprogrammering, omdat het onderwerp hem even gevaarlijk voorkwam als plutonium: `alleen te behandelen op afstand, achter glas, met dikke handschoenen.'

Rattle prees de Berliner de hemel in (,,Dit orkest kan alles spelen'') en sprak over het belang van traditie en het uitbouwen daarvan. Hij adopteerde de Duitse muziekpers als de gelijken van zijn musici en noemde hen allen tezamen `one family'. Rattle dirigeerde de critici alsof ze de Berliner waren: de meesten hingen aan zijn lippen en geloofden hem op zijn woord, toen hij zei echt niets te zeggen. Maar Rattle zei wel degelijk iets. Hij zei zelfs iets heel belangrijks, volgens enkele kranten die goed luisterden en een aantal internationale persbureaus. Sir Simon Rattle kondigde de belangrijkste beleidswijziging aan in de geschiedenis van een van de eerbiedwaardigste orkesten ter wereld: 117 jaar oud, ooit geleid door Hans von Bülow, Arthur Nikisch, Wilhelm Furtwängler en – het bekendst van al: Herbert von Karajan.

Rattle zei dat klassieke muziek in Amerika en Engeland een marginaal verschijnsel is geworden en dat die trend niet voorbij zal gaan aan Midden-Europa, de bakermat van de klassieke muziek. Hij vindt de Berlijnse Philharmonie `een slapend huis' waar eens flink rumoer moet worden gemaakt, om een nieuw publiek te trekken. Hij wil dat de Berliner, die alles kunnen spelen, gaan meewerken aan projecten op het gebied van pop, jazz en wereldmuziek. De jeugd moet de concertzaal worden binnengehaald met een ander repertoire. De kern van het Berlijnse orkestrepertoire moet worden vernieuwd. De Johannes Passion van Bach, meer Haydn en Mozart, minder Mahler en Brahms, meer 20ste-eeuwse en eigentijdse muziek. De kwalificatie `nieuwe muziek' moet worden vervangen door `goede muziek'.

Lee Towers

Voor een deel bepleit Rattle in Berlijn iets dat in Amsterdam al lang het geval is, zoals een evenwichtig orkestrepertoire van Bach tot heden. Een ander deel van Rattle's analyse en ideeën doet ons sinds het optreden van staatssecretaris Van der Ploeg vertrouwd aan. De Nederlandse bewindsman voor cultuur bepleit `crossover' en vindt het prachtig als het Residentie Orkest Paul van Vliet begeleidt – de cd-opname daarvan staat inmiddels in de Top-100. Ook Van der Ploeg eist een nieuw publiek bij de `oude' kunstvormen.

Als Rattle chef-dirigent in Amsterdam zou zijn, speelt het Koninklijk Concertgebouworkest minder Brahms en Mahler, maakt het een cd met Lee Towers, begleidt het André Hazes of treedt op in het voorprogramma van Normaal. Het zijn goed betaalde activiteiten die de Londense orkesten reeds jarenlang ondernemen om te overleven. Maar deze public relations van de klassieke muzieksector betekenen eenrichtingsverkeer, want een populair optreden in een stadion of park leidt er niet toe dat het poppubliek naar Beethoven, Brahms of Sjostakowitsj gaat luisteren.

In Berlijn stonden zulke populaire projecten al op het programma voordat Rattle erover begon. Rattle kon dus inderdaad zeggen dat hij niet zóveel nieuws had te vertellen. De Berliner gaan de al decennia populaire zanger Udo Jürgens begeleiden en spelen als achtergrondorkest bij The Scorpions. Het was tot nu toe onvoorstelbaar, maar de orkestleden willen het zelf. Sinds het aantreden van Abbado zijn de inkomsten van de orkestleden sterk afgenomen. De Abbado-cd's worden nauwelijks verkocht, wie naar de Berliner wil luisteren koopt nog steeds de opnamen van Karajan. Maar juist het enthousiasmerende persoonlijke optreden van Rattle zou in staat moeten zijn de glanzende klassieke traditie van de op hun gebied superieure Berliner opnieuw krachtig te doen stralen, zonder hun wereldreputatie te grabbel te gooien.

De nieuwe koers van Simon Rattle past in het nieuwe commerciële offensief van de Berliner, waarbij multiculti en multimedia de hedendaagse en marktconforme slagwoorden zijn. Veel discussie is daarover binnen het orkest niet eens geweest en orkestdirecteur Elmar Weingarten heeft daarom zijn ontslag aangekondigd. In een interview met de Süddeutsche Zeitung spreekt hij van `een verlies van waarden' en betreurt hij dat de Berliner afzien van hun `plicht tot ernst' om zich `te werpen in de armen van de markt'. Weingarten vertrekt in 2001. Hij zal het tijdperk-Rattle in de nieuwe Duitse hoofdstad Berlijn niet meemaken. Volgens Weingartens criteria blijven er in Europa slechts twee serieuze wereldberoemde orkesten over: de Wiener Philharmoniker en het Koninklijk Concertgebouworkest.

Was Rattle chef-dirigent in Amsterdam, dan begeleidde het Concertgebouworkest André Hazes