Op het verkeerde moment maar op de juiste plaats

Hij legt er zijn vork even voor neer en dept de dunne lippen. ``John Major?', zegt de Tory met de dubbelloops-achternaam, nakauwend op een brokje cantharellen-in-feuilleté. ``Dat is een absolute nobody!'

De naam van de vorige Britse premier viel niet goed tijdens het besloten etentje in Londen waar leden van de Eurovijandige fine fleur begin deze week de degens kruisten met diplomaten en enkele voorzichtige Britse ambtenaren. Op het jaarlijkse Conservatieve congres, een week eerder in de fish & chips-badplaats Blackpool, was het niet anders. Partijleider William Hague noemde hem heel even in een voetnoot. Oud-premier Margaret Thatcher noemde hem precies één keer, als ``Hague's voorganger'.

John Major was bijna zeven jaar premier: van 1990, toen hij Thatcher opvolgde, tot mei 1997, toen hij spectaculair door Tony Blair werd ingeblikt. Hij hielp Europa bijeen houden tijdens de Golfoorlog, hielp een wapenstilstand in Bosnië bereiken en dwong de Noord-Ieren tot onderhandelen. De hoge rente, inflatie en werkeloosheid die hij van zijn voorgangster erfde boog hij terug, deels tot jaloezie van de rest van Europa. Waarom staat John Major in een groeiend deel van zijn eigen kring dan niet te boek als een groot politicus?

Misschien omdat hij het gezin uitriep tot hoeksteen van de samenleving, waarna de ene na de andere minister werd betrapt op overspel. Maar niet omdat hij het taboe op belastingverhoging doorbrak, om het geruïneerde openbaar onderwijs en de gezondheidszorg te verbeteren. Niet omdat hij kunst en cultuur liet financieren uit loterijgelden, in plaats van er louter nieuwe miljonairs mee te scheppen. Niet omdat het Britse pond in september 1992 losbrak uit het Europese wisselkoersstelsel. En niemand roept dat de privatisering van de spoorwegen, voor Major nog steeds een bron van trots, misschien ten koste is gegaan van de veiligheid, zoals vorige week bleek bij het Londense Paddington.

Zijn partij maakt hem nauwelijks inhoudelijke verwijten. De kritiek is vooral atmosferisch: zijn braafheid, beschaafdheid, en onzekerheden; zijn openlijke verlangen naar een rechtvaardiger samenleving waarin het niet gek is dat een volksjongen premier wordt, en zijn neiging tot stille diplomatie in plaats van vechten. Eigenlijk verwijt de rechterflank van zijn partij hem alles waarin hij geen Thatcher was. `Of je Tony Blair nu mag of niet, hij is goed in de uitoefening van zijn premierschap,' schreef het lijfblad van de Eurosceptici, The Daily Telegraph, deze week in een vilein hoofdartikel. `John Major, helaas, was het niet.'

Hij dacht zijn partij te kunnen verzoenen over Europa, het goede deel van Thatchers werken te kunnen voortzetten, er zijn eigen centrum-agenda aan toe te voegen, én Labour vóór te blijven. Het was goed bedoeld, maar het midden van de weg hoort nu toe aan Labour. De Tories kijken voorlopig aan tegen nog vijf jaar Blair, en dat laat voor hen alleen de rechtervluchtstrook vrij. `Europa' geldt als een van de weinige onderwerpen die kiezers naar de Conservatieven kunnen laten terugkeren. Daarom laat William Hague opnieuw de anti-Europese trompet schallen en krijgt Thatcher groen licht. En daarom ook wordt de gematigd pro-Europese periode van oud-premier Major nu met Typp-Ex overgelakt.

John Major heeft maar één fout begaan, betoogde zijn voormalige politiek secretaris Jonathan Hill vorige week voor de BBC-radio: hij was op het verkeerde moment op de verkeerde plek. ``De Conservatieve Partij heeft nog steeds niet verwerkt dat ze in 1990 Margaret Thatcher de laan heeft uitgestuurd en daarom gooit de partij haar schuldgevoel al jaren in een vuilnisbak die John Major heet.'

Die vuilnisbak roept de afgelopen weken hard terug. Dat de Conservatieve Partij zichzelf onverkiesbaar maakt en dat Margaret Thatcher silly is en `een politieke lemming'. In zijn maandag verschenen memoires, John Major, The Autobiography, klinken ook echo's uit de vuilnisbak. Bitter zijn ze niet, maar als het dikke boek één ding duidelijk maakt, is het dat het nauwelijks anders had kunnen lopen.

Major wilde tot elke prijs vermijden dat hij werd gezien als `de politieke zoon van Thatcher', zoals Labour hem afschilderde. Hij werd in 1990 premier met een campagne voor het partijleiderschap waarin hij beloofde de Poll Tax af te schaffen, het voorstel voor een hoofdelijke belasting waarmee Thatcher een bijna-burgeroorlog had ontketend. Het Europese mijnenveld dacht hij op te ruimen met `geleidelijkheid en common sense'. En ten slotte beloofde de voormalige cementzakkensjouwer uit Brixton `een klassenloze samenleving`, waarin `ieders talent op eigen kracht tot zijn recht kan komen'.

Zijn ideeën waren `misschien zelfs centrum-links', schrijft hij nu. Tony Blair zal het hem nu nageven, mét een stil dankgebed voor de economische boedel die hij van Major kon overnemen. Maar zijn eigen partij had het destijds ook moeten beseffen, noteert hij. `Niemand kan zich vergist hebben over mijn standpunt', schrijft Major nog steeds ongelovig, en deze week verbaasde hij zich er opnieuw over. `maar hoe kan Thatcher ooit gedacht hebben dat ik one of us was', vroeg hij zich af in een vraaggesprek.

Is het omdat hij een beetje blind is voor zijn eigen kameleontische karakter, dat hoort bij social climbers? Vermoedelijk zag ze hem als een zwakke persoonlijkheid en een kans om over haar graf heen te blijven regeren. ``Ik zal een erg goede backseat driver zijn', zei ze op de dag van Majors aantreden. Die opmerking en een beroemde foto, op dezelfde dag genomen, van Thatcher die uit een raam op de eerste verdieping van 10 Downingstreet toekijkt hoe Major voor de deur de pers toespreekt, zetten de toon voor een permanent prisoners's dilemma. `Als ik haar beleid voortzette, zou ik simpelweg als de zoon van Thatcher gezien worden', schrijft hij. `En als ik het niet deed zou er gezegd worden dat ik haar erfenis ruïneerde. En dat laatste is natuurlijk gebeurd.' Die houding hield hem gevangen en gaf Labour de kans om zijn weifelachtigheid op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg uit te buiten. Het kostte hem in 1997 de verkiezingen.

Bij zijn aantreden had Major beloofd de partij `absoluut' te herenigen en de verkiezingen van 1992 te winnen. Het laatste gebeurde, overigens tot zijn eigen verbazing en – inmiddels – spijt. Zijn eerste voornemen mislukte al meteen. Omdat hij geen krachtige leider was, vindt meer dan één partijgenoot die aan het woord komt in de deze week begonnen BBC-serie, The Major Years. Norman Lamont, Majors minister van Financiën en een Thatcher-bondgenoot van het eerste uur, schrijft in zijn eveneens deze week verschenen autobiografie dat Majors besluiteloosheid tijdens de crisis van het pond `het land liet doodbloeden'.

In zijn boek velt Major hier en daar een soortgelijk oordeel over zichzelf. Natuurlijk, er waren verzachtende omstandigheden, zoals de recessie die hij erfde, al had hij daar als minister van Financiën vanaf 1989 wel met zijn neus op gestaan. En hij liet zich te vaak kwetsen door de pers. Maar uiteindelijk, zegt hij, was hij te defensief, te conventioneel, te onzeker over zijn afkomst en gebrek aan scholing tussen de public school-Tories, en overheerste zijn reflex om te schipperen in plaats van met de vuist op tafel te slaan.

En toch lijkt het soms alsof hij zichzelf maar half gelooft. Want de sterkste passages van het boek zijn die waarin hij zijn vermeende grijsheid juist tot deugd uitroept. `Ik geloof in eenvoudig fatsoen. Daar had ik vaker een punt van moeten maken', schrijft hij. `Maar eenvoudig fatsoen is de meeste politici en toeschouwers tegenwoordig niet genoeg. Ze eisen een ideologie, intellectuele mentors en een politieke mal waaraan elke omstandigheid kan worden getoetst. Dat verwerp ik. [...] Iedereen moet zijn overtuigingen hebben, maar laten die de keerzijde zijn van dweperij.'

Over zijn vader, een variëté-artiest die later een fabriekje van tuinkabouters aan huis begon en zijn zaad aanvankelijk nogal had verspreid, zijn al veel grappen gemaakt. In een hoofdstuk dat hij samen met zijn broer Terry schreef schetst Major echter een liefdevol portret van een kalme, enigszins strenge man met een grote fantasie. Zijn moeder werkte in een bibliotheek en verdiende bij door thuis danslessen te geven. Geen rijk gezin, in het naoorlogse Londen niet ongewoon en zeker niet de karikatuur die er wel van is gemaakt. Het gaf hem wat hij later my compassionate roots zou noemen.

Hier ontdekte Major ook dat het leven diegenen helpt die zichzelf helpen, op de grammar school (het openbare gymnasium), als leerling-metselaar, op de bank waar hij als klerk werkte en als wethouder volkshuisvesting van de zuid-Londense deelgemeente Lambeth waarmee hij zijn politieke carrière begon, die voortduurt zolang hij in het parlement zit voor Huntingdon. Sommige mensen hebben op het eerste gezicht een kleurrijker geschiedenis. Voor Major was grijs goed genoeg. En trouwens, wat is grijs? Niet zonder een tikkeltje ijdel effectbejag citeert hij de schilder Pisarro: `Vergeet niet gebruik te maken van het hele, oogverblindende palet aan grijzen.'

Het conservatisme is niet uitgevonden in de jaren tachtig en niet afgelopen in de jaren negentig, schrijft hij in het voorwoord. De `inclusieve', `praktische', `burgerlijke' politiek van midden-rechts keert wat hem betreft gewoon terug als de fanatici uit beide kampen bij zinnen zijn gekomen. Zijn autobiografie is daar een aantrekkelijk pleidooi voor.

John Major: John Major.

The Autobiography. HarperCollins, 774 blz. ƒ99,50