Misdadig spelletje blufpoker in Bandoeng

Voor Raymond Westerling, strijdend tegen `terroristen' in Indië, werd in 1946 nog gebeden op de Nederlandse lagere scholen, maar daarna ging zijn reputatie aan flarden. Een nauwgezette studie.

`Ik vond hem een zeer opvallend type (...). Een krachtpatser, klein, plomp. Hij droeg altijd op beide heupen een pistool en hij had een patroongordel om zijn middel, in zijn sokken droeg hij een dolk. Een soort ouderwetse zeerover. Hij liep als een pauw, een figuur die je nooit vergeet.' Zo typeerde in 1945 een Brits legerofficier de militair Raymond P.P. Westerling na een ontmoeting in Medan (Sumatra).

Westerling. In de jaren vijftig had zijn naam in Nederland een magische klank. Bij spreekbeurten trok hij volle zalen, op lagere scholen werd in 1946 nog voor hem gebeden. Waarschijnlijk is hij op dit moment als enige persoon uit de periode 1945-1949 bij een breed publiek bekend als `die militair die in Zuid-Celebes oorlogsmisdaden pleegde'. Dat hij in januari 1950 óók nog verantwoordelijk was voor een mislukte coup in Bandoeng, tegen de Indonesische regering, is veelal vergeten.

De Leidse (militair) historicus J.A. de Moor heeft deze mythische figuur nu tot normale proporties teruggebracht. In zijn met vaart en verve geschreven dissertatie, waarop hij gisteren promoveerde, doet hij echter meer. Op grond van uitgebreid onderzoek in militaire en andere archieven – er kan weinig zijn wat hij niet gezien heeft – geeft hij de geschiedenis van de `snelle en harde jongens' van het in Indië opererende leger. Dat waren de commando's (Depot Speciale Troepen/Korps Speciale Troepen) en de parachutisten die op de valreep van de vrede in juli 1949 samengevoegd werden tot het Regiment Speciale Troepen (RST). De Moors tweesporenbenadering biedt het voordeel dat Westerling in zijn eigen omgeving en in de juiste verhoudingen wordt getekend.

Na alle discussies over het `onverwerkte koloniale verleden' van het afgelopen decennium is het van belang de militaire feiten uit Nederlands laatste koloniale oorlog helder onder ogen te krijgen. Die discussies gingen immers niet over een onverwerkt, maar vooral over een onbekend onderdeel van het Nederlandse verleden, dat bij publicaties erover steeds opnieuw tot verbazing, afschuw en meningsverschil leidde.

Opnieuw worden we door dit boek geconfronteerd met de nauwe samenhang tussen anti-Duitse en anti-Indonesische strijd, die de debatten over de dekolonisatie mede beïnvloed heeft. Leidende figuren van de Speciale Troepen en de parachutisten hadden naam en faam verworven in het gewapend verzet en de knokploegen. Juist zij die onomstotelijk `goed' waren geweest in de periode 1940-1945, werden in de daarop volgende jaren historisch gezien in het ongelijk gesteld. Het maakt een beoordeling van de geschiedenis van Nederland in de jaren veertig extra ingewikkeld.

Kind van de oorlog

Ook Westerling (1919-1987) was een `kind van de oorlog', zoals de gegevens illustreren die De Moor met oog voor de familiegeschiedenis boven tafel heeft gehaald. Geboren in het deftige en kosmopolitische Pera bij Istanbul als zoon van een handeldrijvende Nederlandse vader en een Griekse moeder meldde de jonge Ray zich in augustus 1940 bij het Nederlands consulaat. Als gewoon dienstplichtige belandde hij in Engeland. Hier gaf hij zich op voor het nieuwe legeronderdeel der commando`s, eveneens een product van de strijd tegen Hitler. De opleiding in het Schotse rots- en kustgebied was extreem zwaar. Zelfs Westerling meende aanvankelijk dat `zij er niet op uit waren ons op te leiden maar om ons te vermoorden'. Maar al snel dook hij er in onder; hij wist het tot instructeur van de commando's te brengen, die hij ook in India trainde. Daar deed hij wel zijn eerste tropen-, maar nog geen gevechtservaring op. In 1944 kede hij terug naar Europa. Omdat hij Nederlands met een accent sprak, kwam hij tot zijn spijt niet in aanmerking voor `droppings'. Hij mocht alleen de Nederlandse Stoottroepen in het bevrijde Noord-Brabant opleiden. Zo werd hij de `meest getrainde commaendo' die in mei 1945 nog geen enkel gevecht had geleverd.

In Indië zou Westerling zijn schade inhalen. In juni 1945 meldde hij zich aan voor het KNIL; drie maanden later zette hij voor het eerst van zijn leven voet op Indische bodem. De Moor legt er de nadruk op dat deze eerste ervaring in Noord-Sumatra bepalend is geweest voor Westerlings militair optreden. In Medan breidde hij zijn talenkennis uit met Maleis en zette hij opnieuw zijn vakkennis in: hij trainde Molukkers en vormde hen tot een eigen politiekorps dat in de revolutionaire stad onder zijn leiding een eigen orde handhaafde. Hier ontwikkelde hij zijn strategie van samenwerking met Molukse militairen, van informaties inwinnen, intimideren en met snel geweld ageren. Dat kon wellicht nog in de eerste chaotische maanden onder het toeziend oog van zijn Nederlandse en Britse militaire superieuren. Toen in de loop van 1946 het Indisch bestuur zijn gezag herstelde, weigerde Westerling echter samenwerking met de nieuwe bestuursambtenaar. Overplaatsing naar Batavia volgde, alwaar het lot en nieuwe superieuren hem gunstig gezind bleken. Hij kreeg in juli 1947 het commando over het kort tevoren opgerichte depot Speciale Troepen, waarvan de commandant bij het allereerste optreden was uitgeschakeld.

Federale droom

Westerling werd beroemd/berucht door zijn acties op Zuid-Celebes tussen december 1946 en maart 1947. In wat – volgens de Nederlandse federale droom – het hart van de eerste modelstaat moest worden, de deelstaat Oost-Indonesië, maakte hij met 120 man van zijn Depot Speciale Troepen hardhandig een einde aan het politieke verzet. Zijn blanco volmacht voor counter-insurgency was in feite een `license to kill', aldus De Moor. Deze wijdt overigens slechts een kleine dertig bladzijden aan dit onderwerp en grijpt daarbij terug op de uitstekende analyse van Willem IJzereef, Kapitein Westerling en de standrechtelijke executies (1984), nog altijd de meest evenwichtige en scherpzinnige die er over de Celebes-affaire is gepubliceerd. In Westerling's Oorlog komen geen nieuwe feiten over deze Nederlandse misdaden naar voren, wel nieuwe foto's, onder andere een van via het standrecht geëxecuteerden, onder wie arrestanten die uit de gevangenis waren gehaald.

Het Depot Speciale Troepen werd begin maart 1946 op grond van negatieve berichten over zijn werkwijze naar zijn standplaats in West-Java teruggeroepen. Daarna zou het korps worden uitgebreid en als `noodhulp' her en der op Java in actie komen. Spoor wenste echter een nog professionelere commando-eenheid tot zijn beschikking te hebben. Daartoe was naast de Speciale Troepen in mei 1947 de Eerste Parachutisten Compagnie in het leven geroepen. Anders dan de Speciale Troepen trok deze concurrerende militaire elite meer Nederlandse soldaten dan Ambonezen. Met het oog op diezelfde professionalisering werd Westerling in november 1948 als commandant van de Speciale Troepen vervangen. Hij had zich inmiddels laten kennen als een `over het paard getild' officier, die alleen met de hoogsten in rang overleg wilde voeren en moeite had met de militaire hiërarchie. Bovendien had hij van zijn eenheid een administratieve puinhoop gemaakt en ontbrak het hem aan besef van het militaire recht, aldus een kritisch legerrapport uit 1948. Westerling bedankte voor de eer en nam in januari 1949 ontslag uit de dienst. Het laatste oorlogsjaar, het jaar van de felste strijd en de grootste verliezen, zou hij niet meemaken. Als transportondernemer vestigde hij zich in de buurt van `zijn' Speciale Troepen bij Bandoeng, West-Java.

Commando's en para's werden in 1949 ingezet in moeilijke gebieden, waar extra militaire kracht nodig was. Bij de Tweede Politionele Actie bezetten zij Djokja. Toen beide eenheden in juli 1949 werden gefuseerd tot het Regiment Speciale Troepen (RST), telde dit regiment een negenhonderd tot duizend man, ongeveer één procent van de Nederlandse troepen in Indië. De Moor maakt veel werk van de vele, soms dagelijkse acties maanden achtereen en weegt hun resultaten. Met gemengd en de lezer overtuigend oordeel: de acties waren alleen voor het directe moment effectief. Het Indonesische leger meed het contact met de topi hijau, de groene baretten, maar was terug zodra deze de plek van actie de rug hadden toegekeerd. Zelfs met deze speciale troepen viel de guerrilla in 1949 niet te winnen. Toch kwam het bericht van de naderende soevereiniteitsoverdracht voor vele RST-ers in het najaar van 1949 nog onverwachts. De politieke voorlichting had ernstig gefaald.

Mislukte aanslag

Nieuw en fascinerend is ook het dramatische laatste deel van dit boek: de nauwgezette reconstructie van de mislukte aanslag op Bandoeng van 23 januari 1950. De Moor baseert zich daarvoor op niet eerder geanalyseerde verhoren van betrokken opstandelingen. Hun die het Indonesische leger het felst hadden bestreden, wachtte na de soevereiniteitsoverdracht een onzekere toekomst. Westerling wist hun onrust te kanaliseren, zij het op een manier die qua knulligheid aan het ongelooflijke en qua fabulering aan oplichterij grenst. Er zouden hem tienduizenden gewapende strijdkrachten ter beschikking staan. Zij bestonden allen in zijn hoofd en in de geruchtenmachine: ook het Indonesische leger vreesde deze troepen. Een dertigtal samenzwerende militairen kwam pas twee dagen voor de coup voor het eerst in vergadering bijeen. Tot hen behoorden onder andere manschappen van het RST en van de Compagnie `Erik', die uit oud-leden van dat korps bestond. Zij kregen daar de indruk dat voor hen slechts een aanvullende taak was weggelegd.

De steun van de Compagnie `Erik' viel op het laatste nippertje weg. Deze had – toevallige samenloop van omstandigheden – voor de ochtend van de 23ste januari het bevel tot evacuatie naar Billiton gekregen. Dankzij straf optreden van haar officieren werd deze order uitgevoerd. Het RST had een minder sterke leiding. De hoogst verantwoordelijke ontdekte wel dat er iets gaande was maar stelde `er niets van te willen merken', hetgeen gezagsgetrouwe soldaten als toestemming opvatten. In volledige wapenuitrusting presten ongeveer 125 van hen hun onwetende onderofficieren in de nacht van 22 januari tot medeplichtigheid. Uiteindelijk ontbrak elke leiding aan de enkele honderden opstandelingen. Zij voerden een aanval uit op de kazerne van het Indonesische leger in Bandoeng. Daarna verliep hun actie. Westerling was afwezig: die was eerder met een twintigtal militairen naar Jakarta vertrokken om de Indonesische regering gevangen te nemen en daarmee tot trouw aan het federalisme te bewegen. hier gebeurde echter helemaal niets.

Westerlings actie was een misdadig spelletje blufpoker ten nadele van zeer velen. Indonesische soldaten vonden de dood. De opstandelingen van het RST, de `kleine Pietjes van de KNIL', werden veroordeeld tot gevangenisstraf op Nieuw Guinea. De loyale RST'ers werden zo snel mogelijk naar Nederland afgevoerd, waar zij werden opgenomen in de Koninklijke Landmacht, zij het in rang verlaagd. De deelstaat Pasoedan (West-Java), die Westerling had willen `beschermen', werd kort daarop opgeheven. Sultan Hamid van Pontianak, tot wie Westerling zich in paniek in Jakarta had gewend werd drie maanden later gearresteerd en drie jaar later in een showproces ten onrechte veroordeeld. Op de kersverse Nederlands-Indonesische Unie zou het incident een zware wissel trekken.

Westerling was de enige die er zonder veel kleerscheuren vanaf kwam. Dat hij door de Nederlandse legerleiding Indonesië werd uitgesmokkeld zonder dat de Hoge Commissaris Hirschfeld dit wist, was al bekend uit Hans Meijers Den Haag-Batavia. De Nederlands-Indonesische betrekkingen 1950-1962 (1994). De Moor vertelt dit jongensboek-verhaal nog eens, inclusief Westerlings visie. Na omzwervingen belandde deze tenslotte in 1952 in Nederland, waar de rechtbank zijn arrestatie onwettig oordeelde. Aan uitleveringsverzoeken van Indonesië is hier nooit voldaan. Aan het eind van de jaren vijftig probeerde Westerling nog met een operacarrière de show te stelen. Met die laatste mislukking houdt het boek op. Niet zijn leven. Via zijn (auto)biografieën uit 1951 en 1984 en interviews zou hij de mythen rond hem herhaaldelijk van nieuw voedsel voorzien. Hij stierf in december 1987, kort na – en volgens sommigen zelfs ten gevolge van – het verschijnen van het geruchtmakende deel XII van Loe de Jongs Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, waarin de discussie over Nederlandse oorlogsmisdaden en de Celebes-affaire opnieuw werd aangekaart.

Oorlogsmisdaden

Degenen die nu in dit boek een eindoordeel over de `oorlogsmisdaden' van commando's en parachutisten verwachten, komen er bekaaid van af. Die uitdaging heeft De Moor laten liggen. Het woord oorlogsmisdaden treft men in het register dan ook niet – en in de tekst slechts twee keer – aan. Alsof die term nooit onderwerp van discussie is geweest, spreekt hij conform het gebruik onder militaire historici consequent van excessen. Hij laat het oordeel aan de lezer: van die excessen, voorzover gerapporteerd, geeft hij wel expliciete beschrijvingen. Samenvattend noemt hij standrechtelijke executie, marteling van arrestanten en liquidatie van gevangenen `tamelijk gangbare praktijken' van de betrokken legeronderdelen. Al is de precieze omvang daarvan wegens onder-rapportage niet vast te stellen, die handelingen zelf werden in de jaren 1945-1950 door deskundigen al buitenwettelijk genoemd.

Spoor zelf brandmerkte bepaalde gedragingen van de Speciale Troepen `als oorlogsmisdrijven', hoewel hij strafvervolging wenste te voorkomen. IJzereef was duidelijker en bestempelde deze in 1984 als `volstrekt illegaal'. Loe de Jong verkoos in 1987 het woord exces omdat de term te veel naar individuen zou verwijzen in plaats van de verantwoordelijke politieke leiding. Of het huidige oorlogsrecht voor dat argument gevoelig is valt te betwijfelen. Aansluiting bij de publieke discussie of het wetenschappelijk debat hierover heeft De Moor echter niet gezocht, een gemiste kans. Zelfs zijn keus voor de term exces is niet verantwoord.

Dat neemt niet weg dat Westerling's Oorlog op grond van zijn meeslepend verhaal, zijn heldere structuur en belangrijke onderwerp recht heeft op een groot lezerspubliek. Want De Moor heeft een prachtig boek gemaakt. Zijn beeld van een uiteindelijke wanhopige contraguerrilla kan de Nederlandse zelfkennis alleen maar verdiepen. En over `krachtpatser' Westerling is De Moor heel duidelijk: als militair is die onderschat. Was hij maar commando-instructeur gebleven.

J.A. de Moor: Westerling's Oorlog. Indonesië 1945-1950. De geschiedenis van de commando's en de parachutisten in Nederlands-Indië 1945-1950. Balans, 636 blz. ƒ69,50