Leesbaar het landschap

Dijk. Talud. Basaltkeien. Asfalt. Dijkverzwaring. Nationale Verstandsverbijstering. Dit zijn misschien niet bij uitstek literaire woorden, maar Willem van Toorn gebruikt ze vaak, in zijn al jarenlange, tot voor de rechter uitgevochten strijd voor het behoud van het Nederlandse landschap. Gedichten, romans en essays wijdde hij eraan en in drie van zijn titels komt het woord landschap ook expliciet voor. De laatste jaren concentreert hij zich vooral op de rivieren en de uiterwaarden. Zijn laatste roman heet eenvoudig De rivier en toont ons Van Toorn wederom van zijn geëngageerde zijde.

Veel elementen uit eerder werk keren erin terug: het opgroeien in Amsterdam-West, de groentewinkel annex kleermakerij van zijn vader, de kwekerij van zijn opa, het dijkhuis van oma Van Toorn in Tiel, het licht boven `de rivier': de Waal. De rivier is een familiegeschiedenis, maar geen gewone. Al in het eerste hoofdstuk wordt dat mooi gedemonstreerd. Van Toorn geeft daar een liefdevolle, gedetailleerde beschrijving van de laatste ontmoeting die hij en zijn vader in 1944 op het station van Nieuwersluis hadden met een oom, vlak voordat hij zou sneuvelen. De beschrijving doet authentiek aan, maar blijkt toch maar half waar. De oom was er wel, en vader Van Toorn ook, maar Willem niet, want die lag, zoals zijn moeder hem veel later verzekerde, die dag met difterie in bed. Dat moet ons natuurlijk enigszins wantrouwig stemmen over de betrouwbaarheid van het geheugen van de schrijver. Van Toorn licht betekenisvolle momenten uit het familieverleden, duidelijk in de hoop daarmee ook algemenere uitspraken te kunnen doen. Daarin slaagt hij vaak, maar niet altijd. De ene keer weet hij in enkele scènes een haarscherp beeld op te roepen van de sociale geledingen in Amsterdam-West in de oorlogsjaren, van de sfeer op een christelijke lagere school of van de bijna heldhaftige wijze waarop het middenstandsgezin zich staande hield in moeilijke tijden. De andere keer verliest hij zich in interieurbeschrijvingen, of berijdt hij al te nadrukkelijk zijn landschappelijke stokpaard.

Afwisselend zien wij `Wim' of `Willie', als jongen en als volwassene. Het leergierige, snel geprikkelde jongetje dat hij was, voelde zich vaak niet helemaal serieus genomen. Ook de volwassen Wim, zo blijkt uit de betreffende hoofdstukken, is nog steeds een prikkelbaar type. Samen met andere kunstenaars en intellectuelen bond hij de strijd aan tegen de dijkverzwaarders, die het landschap van zijn ouders en voorouders volgens moderne inzichten willen aanpassen – en daarmee in zijn ogen uitwissen.

De rivier vormt de verbindende factor tussen de twee Wimmen. De jonge Wim krijgt de liefde voor de geboortestreek van zijn ouders – die zij destijds om economische redenen verlieten – met de paplepel ingegoten. Als, decennia later, de aftakeling van die streek ongeveer samenvalt met de aftakeling van zijn ouders, neemt de zoon de verantwoordelijkheid voor de rivier over. Zoals mijn voorouders in mij voortleven, zo lijkt Van Toorn te willen zeggen, zo moet men ook een landschap zien als iets dat geschiedenis heeft en dat met respect voor dat verleden moet worden behandeld. Dat is een nobel standpunt. Waarom zou men noodzakelijke dijkverzwaringen niet zo uitvoeren dat het landschap zoveel mogelijk gespaard blijft? Begrijpelijk is de ergernis als de restauratiewerkzaamheden op veel plekken te lomp worden aangepakt.

Opmerkelijk bij dit alles zijn de parallellen tussen vader en zoon Van Toorn. Zoals de vader zich tijdens de oorlog op zijn eigen koppige manier verzette tegen de Duitsers, de collaborateurs en ook tegen opzichtige `goede' landgenoten, zo zien wij de zoon al even koppig opereren in zijn naoorlogse strijd tegen de dijkverzwaarders, de politiek en de publieke opinie. Zoals de vader zich af en toe verloor in roekeloze uitspraken, zo weet ook de zoon niet altijd de juiste snaar te treffen. Aan mij zijn althans de gelijkhebberige passages over de teloorgang van het rivierengebied niet echt besteed. De schrille bewoordingen die Van Toorn kiest om de kortzichtigheid aan te tonen van velen, past niet bij zijn elders zo prettig afgewogen manier van vertellen. De toonverschillen maken iets duidelijk van de tweespalt die heerst in De rivier. Van Toorn wil graag gezien worden als de onbaatzuchtige verdediger van onvervangbaar cultuurgoed, maar is in de praktijk vooral het boze jongetje dat zijn verleden teloor ziet gaan. Het meest verontwaardigd is hij immers over de `verbetering' van het stuk dijk tussen Neerijnen en Tiel, omdat hij daarover het vaakst heeft gefietst, `op weg naar mijn tante Jaan in Varik of naar de schokker van mijn oom Dirk'.

Elders heet het, wat bescheidener, dat hij zich het landschap van die toch al wankele herinneringen niet wil laten afnemen en daar lijkt Van Toorn zich ook zelf te realiseren dat hij iets wil behouden dat niet te behouden valt. Dat hij wel boos kan worden op de dijkverzwaarders die geen geheugen hebben voor landschappen, maar dat zijn eigen geheugen ook feilbaar is. In De rivier wordt iets voor de eeuwigheid vastgelegd dat er misschien wel nooit zo geweest is. Uit flarden en brokstukken is een geschiedenis gereconstrueerd, die er, ook literair gezien zijn mag, maar die wellicht niet al te letterlijk moet worden genomen. Zoals de rivier misschien wel vooral een gedroomde rivier is, zo lijkt mij het landschap dat Van Toorn ons voortovert vooral een leesbaar landschap, in zijn eigen woorden. Zijn echte engagement zou er wel eens uit kunnen bestaan dat hij zich met dit leesbare landschap niet zozeer verzet tegen de dijkverzwaarders, alswel tegen de onverslaanbare vijand die tijd heet.

Heel even is de tijd hier stopgezet, maar uiteindelijk zal geen landschap, rivier of herinnering ertegen bestand blijken.

Willem van Toorn: De rivier. Querido. 312 blz. ƒ39,90