Job op de mestvaalt

Klokkenluiders zijn de ratten van de moderne bureaucratie. Ze bewijzen hun nut bij het opsporen en soms ook opruimen van rotzooi als fraude, mismanagement en misleiding van publiek en parlement. Zodra ze hun taak hebben vervuld, zakken ze weg in de anonimiteit, het lezingencircuit of de rechtszaal.

Een te dierlijke interpretatie van de edele functie van klokkenluider? Nee. Er zijn voorbeelden die de stelling illustreren. Clive Ponting moest in 1985 terecht staan wegens overtreding van de Official Secrets Act. Hij had als ambtenaar van het Britse ministerie van defensie leugens van dit departement over de Falklandoorlog onthuld in The right to know. Ponting kon daarna nauwelijks meer ergens terecht en schreef een boek waarin het slecht afliep met de wereld.

Twee Britse geheime agenten, Peter Wright en Richard Tomlinson, vluchtten naar de andere kant van de aardbol, respectievelijk Tasmanië en Australië, om uit de klauwen van hun voormalige werkgevers te blijven na onthullingen over de werkwijze van de geheime dienst MI5 en MI6.

Mordechai Vanunu bracht de jaren tussen 1986 en 1998 door in eenzame opsluiting in een Israelische cel. Hij had The Sunday Times ingelicht over de nucleaire geheimen van zijn land om de publieke opinie, die in slaap was gesust door de regering in Jeruzalem, wakker te schudden.

In de Verenigde Staten baarde onlangs de zaak van ex-CIA-agent Frank Snepp veel opzien. Hoewel hij in zijn terugblik op de val van Saigon geen geheim CIA-materiaal had gebruikt en daarom zijn oude werkgever het boek Decent Interval niet van te voren had laten lezen, behandelde de CIA hem toch als verrader. De dienst achtervolgde Snepp tot aan het Hooggerechtshof, dat de oud-agent, inmiddels financieel en psychisch gebroken, in het ongelijk stelde.

En wie herinnert zich nog onze eigen klokkenluider, RIVM-medewerker De Kwaadsteniet? In januari van dit jaar, nog niet eens zo lang geleden, schokte hij politiek en ambtenarij door naar buiten te treden met kritiek op de onderbouwing van milieu-modellen. Na een schorsing, een baan op een andere afdeling van het RIVM en alsnog een berisping, zit De Kwaadsteniet ziek thuis. Van een boek is het bij hem (nog) niet gekomen.

Slechts een enkeling ontsnapte aan deze onheils-cyclus, zoals Daniel Ellsberg. Nadat deze medewerker van het Amerikaanse ministerie van defensie in 1971 de zogeheten Pentagon Papers – geheim materiaal over de Vietnam-politiek – naar de pers had gelekt, werd hij door links opgenomen in de eregalerij van vredesactivisten. Hoewel Ellsberg later nog werd afgeluisterd, door president Nixon een `verrader' werd genoemd (hetgeen zijn heldenstatus alleen maar vergrootte) en diverse juridische procedures aan de broek kreeg, kon hij uiteindelijk toch weer de draad oppakken als universitair docent.

Te biecht

Vergeleken met al deze klokkenluiders, is Paul van Buitenen een geval apart. Het opmerkelijke, interessante en soms zelfs ontroerende van Strijd voor Europa. Fraude in de Europese Commissie is zijn lange tijd ongeschokt vertrouwen in het zelfreinigend vermogen van het Europese bestuur. Bijna zijn hele relaas door, en steeds vaker tegen de klippen op, blijft Van Buitenen zijn superieuren en de betrokken diensten op de hoogte stellen van zijn ontdekkingen van vriendjespolitiek, fraude, financiële en administratieve onregelmatigheden binnen het ambtelijk apparaat van de Europese Commissie.

Als Van Buitenen op bijna alle deuren binnen het apparaat heeft geklopt, inclusief die van de hoogste ambtenaar Carlo Trojan, besluit hij commissievoorzitter Jacques Santer zelf te schrijven. Die geeft ook niet thuis. Zelfs zijn geruchtmakende stap, eind 1998, om dan maar het Europees Parlement in te lichten, kent een bureaucratisch motief: het parlement zou anders zijn controlerend werk niet kunnen doen. Het zou onvoldoende informatie hebben om Force en Leonardo II, twee onderzoeksprogramma's waarmee het nodige mis was, goed te kunnen beoordelen. `Een ernstig verzuim', schrijft Van Buitenen.

Zijn verbazing is dan ook even groot als oprecht wanneer hij even later verneemt wat de reactie van zijn superieuren is op zijn keurige pogingen dat verzuim te corrigeren. `Ik was geschorst. Toen, bij de laatste regels [van de schorsingsbrief, kv], stokte mijn adem. Ik wist niet goed wat ik zag: ook nog eens een aftrek van de helft van mijn salaris? (...) Ik was woest, ontluisterd en triest tegelijk. Zo moest een misdadiger zich voelen.'

De politieke motieven zoals bij Ellsberg of Vanunu, de wroeging die Knepp voelde over zijn verleden in Vietnam, of het cynisme van sommige andere klokkenluiders, zijn Van Buitenen vreemd. `Mijn eigenlijke roeping is de accountancy', zo begint hij het tweede hoofdstuk. En zo is het. Het gaat hem niet om de vriendjespolitiek bij de EU zelf, maar om het ondeugdelijk functioneren van de financiële en administratieve controle-regels die deze vriendjespolitiek moeten voorkomen. Het idealisme, dat terugkeert in de wat gezwollen boektitel, is dan ook iets van later.

Wel krijgen zijn drijfveren al snel een religieuze dimensie, hetgeen Van Buitenen eveneens onderscheidt van de andere genoemde klokkenluiders. Nadat hij van het bestaan van een gebedsgroep binnen de Europese ambtenarij heeft vernomen, raakt hij steeds meer geïnteresseerd in het christelijk geloof. Dat functioneert niet alleen als vangnet, als zijn eenzame strijd hem teveel dreigt te worden, het functioneert ook als toetssteen. Voordat Van Buitenen naar het parlement stapt, wil hij van zijn Anglicaanse chaplain weten of zijn motieven zuiver zijn. Mede om deze ziels-analyse karakteriseert Van Buitenen zichzelf elders in het boek dan ook als Job op de mestvaalt. Pas nadat de chaplain het `groene licht heeft gegeven', zet hij zijn stap die, samen met andere factoren, uiteindelijk leidt tot de val van de Europese Commissie. Wie zei dat kerken geen invloed meer hebben?

Boete

`Ik wil (..) vooral laten zien onder welke omstandigheden mensen er gemakkelijker toe komen om onregelmatigheden, fraude en corruptie zelf te plegen of toe te staan dat anderen deze in praktijk brengen', zo formuleert Van Buitenen de ambitie van zijn boek. Hij maakt die niet helemaal waar. Daarvoor is zijn beschrijving van de bestuurlijke en bureaucratische context van de misstanden te vluchtig. Bovendien zijn voor zo'n doelstelling eigenlijk `pentiti' nodig, zoals de Italianen ze noemen: spijtoptanten. Van Buitenen is juist het tegendeel.

Wat de auteur wel doet, en ook goed doet, is het tekenen van een menselijk portret van de omstandigheden waarin een klokkenluider verzeild raakt. Hoe hij op de eerste onregelmatigheden stuit, van de ene verbazing in de andere valt, door collega's wordt misbruikt die wel kritiek maar geen lef hebben, de enorme stress zijn persoonlijk en huwelijksleven beïnvloedt, de paranoia oploopt: het leest als een heel inzichtelijke thriller. Zijn onversneden, soms wat populaire, taalgebruik helpt daarbij. Nota's waarmee `de kont wordt afgeveegd' en zinnen als `we hadden echt een klote kerstvakantie achter de rug', karakteriseren de sfeer.

Boeken van klokkenluiders zijn vaak ook halve therapieën. Het gevaar dat een publicatie vastloopt in larmoyante zelfrechtvaardiging en zelfmedelijden ligt dan op de loer. Amerikaanse recensenten van Knepps boek vielen over passages waarin de CIA-agent zichzelf wel erg zielig vond. Van Buitenen ontkomt grotendeels aan dit gevaar door een geslaagde truc. Zijn boek bevat dagboekachtige aantekeningen van zijn vrouw Edith. Die fungeren als een ventiel voor oplopende opwinding en frustraties. Als de persgolf over huize Van Buitenen spoelt na zijn coming out, schrijft zij over haar thuiskomst: `Door de ramen zag ik felle cameralampen branden. (..) De buikpijn kwam in volle hevigheid terug, wat moesten al die mensen in onze woonkamer? Het liefst was ik onder een grote steen gekropen (..)'

Het is dit menselijk verhaal dat Strijd voor Europa tot een waardevolle bijdrage maakt aan de groeiende klokkenluidersliteratuur. Veel schokkende, nieuwe onthullingen bevat het boek namelijk niet, of het moest de passage zijn over een ondernemende `Nederlandse provinciepoliticus' die opdrachten uitvoerde voor drie verschillende directoraten-generaal van de Europese Commissie en er volgens Van Buitenen een ondeugdelijke administratie op na hield. Of het een provincie-politicus uit Zuid-Holland was, wordt niet overigens duidelijk.

Paul van Buitenen: Strijd voor Europa. Fraude in de Europese Commissie. Ten Have/ Van Halewijck, 255 blz. ƒ34,90