IRT zet Israeliër `undercover' in bij drugszaak

Het IRT Zuid-Nederland heeft bij het oprollen van een groot Nederlands-Israelisch drugsnetwerk gebruik gemaakt van de diensten van een Israelische undercoveragent. Dat hebben de Nederlandse en Israelische politie gisteren in een gezamelijke persconferentie in Eindhoven bekend gemaakt.

Volgens de Israelische autoriteiten is het de eerste keer dat een Israelische undercoveragent buiten de landsgrenzen heeft geopereerd. Het in 1996 aangevangen onderzoek `York' van het IRT Zuid-Nederland heeft de afgelopen jaren geleid tot de onderschepping van in totaal 1 miljoen xtc-pillen, 700 kilo amfetamine, 287 kilo cocaïne en 4600 kilo hasj.

Afgelopen maandag werd het onderzoek voorlopig afgerond, toen bij een grote actie in totaal 24 verdachten werden gearresteerd. Bij huiszoekingen op 35 verschillende locaties in Nederland werden ondermeer vijf kilo semtex, vuurwapens, laboratoriumapparatuur, een kilo amfetamine en ongeveer 1 miljoen gulden aan valuta aangetroffen. Verder werd beslag gelegd op 27 auto's en de adminstratie van de vermeende drugsbende. Twintig verdachten zijn in bewaring gesteld. In Israel zijn vier verdachten aangehouden.

IRT-chef G. van Gestel schetste gisteren tijdens een persconferentie het beeld van een Nederlands-Israelisch netwerk dat uit vier groepen bestond. Een groep rond de Nederlandse hoofdverdachte H. hield zich in West-Brabant voornamelijk bezig met de productie en uitvoer van synthetische drugs. De in Amsterdam woonachtige ex-Israeli S. fungeerde als contactpersoon tussen H. en twee Israelische criminele organisaties, die zich bezighielden met de import van xtc naar Israel en de doorvoer van cocaïne, onder andere naar de VS en Canada.

Aan het onderzoek naar de groep van de Israelische hoofdverdachte M. kwam een einde toen de Israeli op 30 oktober van het vorige jaar in Amsterdam werd geliquideerd. In het York-onderzoek is behalve van een Israelische infiltrant gebruik gemaakt van een hele reeks bijzondere opsporingsmethoden, zo liet persofficier H. Bos weten. Behalve van Nederlandse politie-infiltranten en pseudokoop heeft het IRT gebruik gemaakt van criminele informanten, inkijkoperaties en telefoontaps. Volgens persofficier Bos zijn alle opsporingsmethoden voorgelegd aan de Centrale Toetsingscommissie (CTC) en goedgekeurd door het College van Procureurs Generaal. Bos benadrukte evenwel dat het aan de rechter is om hierover een definitief oordeel te vellen.