Horkheimer en Adorno: Dialektik der Aufklärung, 1947

Eind 1944, terwijl in de Belgische Ardennen de strijd tussen het Duitse leger en de geallieerden nog verre van beslist was, kreeg in New York de Duits-joodse econoom Friedrich Pollock een manuscript voor zijn verjaardag. Het was een eigenaardig samengesteld werk, een verzameling notities van gesprekken, gebundeld in vier hoofdstukken en een aanhangsel met `aantekeningen'. Hierin ontvouwden de auteurs een pessimistische analyse van de westerse cultuur van Homerus tot Hitler. Toen Pollock het uit had, was hij met stomheid geslagen door de volstrekt uitzichtloze teneur van het werk. Ook andere leden van de kleine kring marxistisch georiënteerde filosofen, economen en sociaal-wetenschappers met wie Pollock in 1934 voor de nazi's was gevlucht, reageerden geschokt.

Het boek was geschreven door de twee meest vooraanstaanden onder hen, Max Horkheimer en Theodor Adorno. Drie jaar later verscheen het als Dialektik der Aufklärung bij Querido in Amsterdam, een uitgever die al eerder verscheidene werken van gevluchte Duitse auteurs had gepubliceerd. Sindsdien heeft het werk in Duitsland, maar ook in Nederland, Amerika en veel Oost-Europese landen zeer diverse reacties uitgelokt, van lof en bijval tot onbegrip en felle kritiek.

Een deel van de kritiek richt zich op het zeer associatieve karakter van de tekst. Veel van wat gezegd wordt, blijft impliciet. Dat is onbevredigend voor wie zich afvraagt wat de auteurs nu precies bedoelen. Maar wie zich door de metaforen en dwarsverbanden aangesproken voelt, kan zich door de tekst laten inspireren. Horkheimer en Adorno schiepen in hun werk een soort `open jargon' van de maatschappijkritiek. Jargon, omdat niet alles wat gezegd wordt, expliciet wordt gemaakt; open, omdat daardoor onderling zeer verschillende maatschappijcritici zich erin konden herkennen.

Zo putte de studentenbeweging eind jaren zestig, behalve uit de werken van latere filosofen uit dezelfde school zoals Herbert Marcuse en Jürgen Habermas, ook inspiratie uit Dialektik der Aufklärung. Begrippen als `vervreemding', `cultuurindustrie', en `instrumentele Rede' spraken deze generatie aan. Maar ook de postmodernisten, ecologen, feministen en neo-marxisten van de jaren tachtig vonden iets van hun gading in Dialektik der Aufklärung. Uit het recente Duitse filosofendebat tussen Habermas en Peter Sloterdijk – twee geestelijk erfgenamen van Horkheimer en Adorno – blijkt dat hun ideeën over het goede leven en de ambivalente rol die (natuur)beheersing daarbij speelt, de gemoederen nog steeds bezighouden.

Horkheimer leidde sinds 1931 het Institut für Sozialforschung, een interdisciplinair onderzoeksinstituut in Frankfurt. Hij behoorde tot die Duitse intellectuelen die, toen de arbeidersbeweging na een mislukte opstand in 1918 het revolutionaire marxisme overboord had gegooid, zich waren gaan verdiepen in de filosofische en antropologische ideeën van Karl Marx. Het onderzoek aan het Frankfurter instituut moest, naar een citaat van Marx, `de versteende maatschappelijke verhoudingen laten dansen door ze hun eigen melodie voor te spelen'. Horkheimer sprak van `Kritische Theorie'. Hij doelde op een theorie die de socialistische revolutie dichterbij zou brengen door aan te tonen hoe gangbare begrippen als `eigendom', `offerbereidheid' en `moraal' het zicht vertroebelden op sociaal onrecht. Later is `Kritische Theorie', wat slordig, gebruikt als aanduiding voor een breed scala aan minder pretentieus gedachtegoed van Horkheimers geestelijk erfgenamen.

Adorno was als cultuurfilosoof verbonden aan hetzelfde instituut. Hij schreef voornamelijk over muziek, volgens hem een van de laatste gebieden waarin de moderne westerse mens zich tijdelijk wist te verzoenen met zijn oorsprong: de natuur. Met name de twaalftoonsmuziek van Schönberg waardeerde hij, als bevrijding uit het keurslijf van de gebruikelijke zeven tonen. Op dit gebied was hij een autoriteit: volgens sommigen was Adorno bijvoorbeeld feitelijk mede-auteur van de roman Dr. Faustus van Thomas Mann, waarin de twaalftonige muziek een belangrijk thema is.

Terwijl met name Horkheimer zich in zijn eerdere geschriften nog hoopvol had uitgelaten over de kansen van een socialistische revolutie, was er in Dialektik der Aufklärung weinig van dit optimisme over. De verontwaardigde verbazing over het uitblijven van een menswaardige samenleving verried nog het vroegere vertrouwen van de beide auteurs in de beloftes van het marxisme, maar dat geloof in maakbaarheid was nu geheel verdwenen. Horkheimer en Adorno waren tot de conclusie gekomen dat alle pogingen van mensen om de wereld naar hun hand te zetten, averechts werkten en moesten uitlopen op minder vrijheid in plaats van meer. Dat was de `dialectiek van de Verlichting', waarbij zij dit laatste begrip zeer ruim opvatten. Voor hen duidde de term Verlichting op een ontwikkeling die weliswaar aan het eind van de zeventiende eeuw een hoge vlucht had genomen, maar die al ver vóór Christus was begonnen.

De Verlichting nam volgens Horkheimer en Adorno al een aanvang met de eerste menselijke pogingen te ontsnappen aan de beperkingen van de natuur. In plaats van overheerst te worden moest de mens de natuur overheersen ter bevrediging van zijn behoeften. Het middel bij uitstek dat hij daartoe ontwikkelde was het rationele, begripsmatige denken. Tellen, classificeren, rekenen en voorspellen hielpen hem om bepaalde, voor zijn overleving belangrijke aspecten van de natuur begripsmatig te isoleren en zo de natuur naar zijn hand te zetten.

Maar deze vrijheid werd duur betaald. Toen de mens zichzelf de rol van heerser over de rest van de natuur aanmat, nam hij een zware verantwoordelijkheid op zich die hij niet zomaar weer naast zich neer kon leggen. Van een foefje, nodig voor zijn zelfbehoud, werd het rationele denken een wezenskenmerk van de mens. De innerlijke natuur, het verlangen om zich over te geven aan driften, om zich daarin te verliezen, werd verdrongen. Slechts de kunst bood nog een surrogaat voor een machtsvrije, verzoenende verhouding tot de natuur.

In deze oergeschiedenis van de mens zagen Horkheimer en Adorno de sleutel tot de hele westerse geschiedenis en vooral ook de verklaring voor het uitblijven van een socialistische revolutie. Zelfbehoud betekende dat elk individu al zijn kracht en denkvermogen moest aanwenden om zich staande te houden. Het onbedoelde neveneffect hiervan was, dat ondernemers en arbeiders samen het systeem in stand hielden waarbinnen ze geleerd hadden zichzelf overeind te houden. Noodzakelijke voorwaarde hiervoor was wel het verdringen van behoeften die niet strookten met het zelfbehoud binnen het systeem.

In deze `collectieve verdringing' lag volgens Horkheimer en Adorno de kern van het antisemitisme, dat met het nazisme zo'n gruwelijke vorm had aangenomen. De joden, gezien als een nomadisch volk dat buiten de maatschappij stond, riepen herinneringen wakker aan een andere verhouding tot de natuur, herinneringen die de op zelfbehoud gerichte burger in de moderne kapitalistische samenleving zich niet kan permitteren. Hij haat de joden omdat hun aanwezigheid in de maatschappij zijn psychologische aanpassing aan de eisen van die maatschappij bemoeilijkt. Volgens Horkheimer en Adorno werd de haat tegen de joden – en die tegen andere `buitenstaanders' – verder aangewakkerd door hun aldus ontstane historische positie als zwakke, onderdrukte groep. Onderworpen, uitgeleverd aan krachten waar hun wil geen vat op had – het antisemitisme, de pogroms –, symboliseerden zij een principe dat de burger ten behoeve van zijn zelfbehoud had leren onderdrukken, namelijk dat van de overgave. Het antisemitisme en de daadwerkelijke onderdrukking van de joden versterkten elkaar.

Het zijn niet in de laatste plaats de thesen over het antisemitisme waardoor Dialektik der Aufklärung lange tijd als referentiepunt heeft gefungeerd voor maatschappijkritische discussies. De inpassing van de jodenvervolging in een breder cultuurhistorisch kader was voor sommigen een aanknopingspunt om het onbevattelijke te bevatten, voor anderen een ontoelaatbare vergoelijking van een gruwel die zich aan elk begrip onttrekt. Ondanks deze rol van hun boek blijft onverminderd de kritiek van kracht dat Horkheimer en Adorno zich door hun ondoorgrondelijk taalgebruik en de abstractiegraad van hun beschouwingen feitelijk juist onttrekken aan debat. Hun reuzenstappen door de geschiedenis worden vrijwel nergens onderbouwd met historische feiten. Dialektik der Aufklärung mist de grondigheid van een wetenschappelijk vertoog. Het reikt de lezer beelden en begrippen aan om de geschiedenis van het westerse individu te interpreteren. Daarin ligt de kracht van het boek.

Max Horkmeier und Theodor W. Adorno: Dialektik der Aufklärung. Fischer Verlag, 275, ƒ22,80 (pbk). De Nederlandse vertaling, verschenen bij SUN, is uitverkocht.