Geintjes en gebbetjes

Potasch en Perlemoer, compagnons in textiel, begonnen hun zegetocht begin deze eeuw op het New-Yorkse toneel. En in ons land gaan ze opnieuw op tournee.

Zijn vader was een succesvolle linnenhandelaar en zelf werkte Montague Glass bij een advocatenkantoor in New York dat diverse textielkooplieden onder zijn cliënten had. Hij kende hun hechte familiebanden, hun talmoedische wijsheden, hun galgenhumor en de kleurrijke bewoordingen van hun constante geruzie. Hij schetste Abe Potasch en Mawruss Perlmutter dan ook naar het leven. Voor hem waren ze geen joodse karikaturen, maar bestaande personages. ,,Ik ben zeer op beide heren gesteld'', zei hij eens. ,,Ze beschikken over vele bijzondere kwaliteiten.''

In het naslagwerk Harrap's Book of 1000 Plays – een overzicht van de duizend meest gespeelde toneelstukken in de Westelijke wereld – wordt Potasch and Perlmutter samengevat als `het goedmoedige gekibbel van twee compagnons'. De kluchtige komedie ging in 1913 op Broadway in première en heeft sindsdien de reputatie van een solide kassucces. Ook, en misschien nog wel meer dan elders, in Nederland, waar het stuk dit seizoen opnieuw op tournee gaat. Zodra bij de theaterdirecteuren bekend werd dat het weer in productie werd genomen, nu met Hans Boskamp en Fred Vaassen in de hoofdrollen, konden er 84 voorstellingen in het hele land worden geboekt.

Montague Glass (1877-1934) studeerde rechten, maar wilde schrijver worden. In de avonduren, na het advocatenwerk, schreef hij verhalen die vaak over kleine sappelaars gingen. Soms werd er eentje geplaatst, aldus zijn necrologie in The New York Times, maar meestal niet. Ook een kort verhaal over twee compagnons in een textielhandel werd door veel bladen geretourneerd; op sommige redacties moet het nog wel met enige geestdrift zijn gelezen, maar men durfde het niet te publiceren uit angst joodse lezers te kwetsen. Toen het ten slotte toch in een tijdschrift voor zakenlieden in Detroit verscheen, toonden enkele lezers zich inderdaad verbolgen over deze jiddische stereotypen. Het aantal positieve reacties was echter veel groter. Glass schreef door, en binnen twee jaar waren Potasch en Perlmutter populaire figuren.

Op basis van een eerste verhalenbundel werd het eerste toneelstuk geschreven, in samenwerking met de allang vergeten Charles Klein. Hoewel ze volgens de wetten van het kluchttoneel een ingewikkelde intrige ontwierpen – met een Russische vluchteling die wordt verdacht van moord, maar door de compagnons in bescherming wordt genomen omdat de dochter van Potasch met hem wil trouwen – was het succes daarvan niet afhankelijk. Het ging in de allereerste plaats om die twee mannen, en om de manier waarop ze elkaar en anderen tegemoet traden: met geintjes en gebbetjes, met een hart van goud, maar intussen slim en snel van de tongriem gesneden. ,,Ik kan een cheque sturen'', zegt een klant, ,,maar jullie moeten wel op je geld wachten.'' Waarop hun prompte reactie luidt: ,,Stuur het geld maar, en dan wachten we wel op de cheque.''

Niet-joods

Of die eerste Potasch and Perlmutter ook door joodse acteurs werd gespeeld, is in de knipselverzameling van het Theater Instituut niet meer te achterhalen. Het ligt voor de hand, er waren er in New York meer dan genoeg. Maar datzelfde geldt voor het vooroorlogse Nederland, en toch waren het hier overwegend niet-joodse acteurs die de rollen van Ebie Potasch en Maurits Perlemoer vertolkten. Hun debuut maakten ze in 1915, bij het gezelschap Die Haghespelers van de gezaghebbende regisseur Eduard Verkade, in de gedaanten van Cor Ruys en Cor van der Lugt Melsert. ,,Een druk stuk'', oordeelde de recensent van het Algemeen Handelsblad. ,,Vaak doet het lachen, vaak glimlachen, menigmaal zit men er bij en vindt het lang.'' Andere critici gaven zich echter geheel gewonnen. ,,Joodsche humor en Joodsche gemoedelijke ruzie, gegeven in overdreven Joodsche levendigheid – wat kan er grappiger zijn'', schreef de man van de Telegraaf, voor wie de aantrekkingskracht van het stuk dus juist in de stereotypering school.

Blijkens de berichtgeving uit die dagen leefden Ruys en Van der Lugt Melsert zich dan ook volop uit in het hele repertoire aan jiddische maniertjes: met veelvuldig schouderophalen, de handen gedraaid en ten hemel geheven (oi!), de wenkbrauwen opgetrokken en de lijzige dictie met de brouwende r en glijerige z die nog tot ver na de oorlog lang verbonden bleven aan elke mop over Sam en Moos. Van eventuele kritiek op deze generalisering van de joodse Amsterdammer is geen spoor meer te vinden. Integendeel. Cor Ruys werd in 1926 in het joodse weekblad De Vrijdagavond zelfs geprezen om zijn typering: ,,De uitspraak van zijn Jiddisje woorden is onverbeterlijk en zelfs de meest zwartgallige moet onder den invloed komen van de gijn in zijn woord en gebaar.'' Zelf vertelde de gerenommeerde blijspelacteur graag dat hij op het Rembrandtplein eens werd aangesproken door een joodse confectionair, die hem zei: ,,Meneer Ruys, excuseer me, maar ik móet u even m'n compliment maken. Ik heb eergisteravond uw voorstelling gezien en ik heb de hele avond het gevoel gehad of ik bij mij op de zaak zat!''

Ruys hield Potasch & Perlemoer tot in de jaren dertig op zijn repertoire. Het stuk was zijn grootste zekerheid; zodra zijn ongesubsidieerde gezelschap in financiële problemen geraakte, haalde hij de oude klucht weer uit de kast. ,,Juist omdat Ruys zijn Joodsche karakters zo gaaf en met zoo volkomen menschelijk begrip en gevoel speelde'', schreef zijn biograaf Brammetje (M.H. du Croo), ,,is er nooit één Jood geweest, die aan deze figuren aanstoot nam of zich ergerde.''

Maar toen de komediant Johan Kaart in 1950 eveneens op zoek was naar een stuk om de kas van zijn gezelschap te vullen, vervulde de gedachte aan de twee textielhandelaren hem met grote onzekerheid. ,,Het was voor het hele toneel een uitgemaakte zaak'', zei hij in zijn memoires, ,,dat het publiek nog geen joodse stukken wilde zien, de gruwelen van de oorlog waren nog te vers.'' Ook de kennissen die hij raadpleegde, vonden het een riskante onderneming om weer met Potasch & Perlemoer te komen. Kaart waagde het er toch op en vond in Johan Boskamp zijn ideale tegenspeler. Eerst speelden ze jarenlang het oude stuk, daarna lieten ze nog drie nieuwe stukken over het tweetal schrijven en alles bij elkaar gingen ze er tot in 1972 mee door. Zelfs bij de joodse vereniging Makkabi in Den Haag oogstten ze succes.

,,De textielfirmanten zijn geen toneelschimmen'', aldus een programmaboekje uit 1961. ,,Men ontmoet hen als levende mensen. Men overziet hun problemen – want die zijn niet groot. Men peilt hun sentimenten – want die zijn niet diep. Maar men ondergaat daarbij hun hartverwarmende menselijkheid, hun gein, die voortkomt uit al die kleine wederzijdse ergernisjes en ruzietjes.''

De verkleinwoordjes duiden op vertedering, maar het is een soort vertedering dat snel kan omslaan in het paternalisme van wie zelf wel wijzer is en uit de hoogte glimlachend neerkijkt op een schilderachtig wereldje. Desondanks is er ook uit deze tijd geen essentiële kritiek op Potasch en Perlemoer te vinden. Behalve één (anoniem) commentaar, in 1971 in NRC Handelsblad gepubliceerd na de 3982ste voorstelling van Kaart en Boskamp: ,,De jood is in deze voorstelling slechts belangrijk als karikatuur. Als museumstuk waar om te lachen valt, maar waarbij elke menselijke tekening ontbreekt. Het is precies dezelfde humor als bij Max Tailleur, die de jood ook graag voorstelt als de kleine scharrelaar waar je zo leuk om kan lachen. Het publiek wordt gesterkt in een aantal vooroordelen, die zo voorgesteld het gewenste effect moeten sorteren. Dat wil men, daar betaalt men voor.''

Eli Asser

En men bleef er grif voor betalen, ook toen het Amsterdams Volkstoneel in 1979 een muzikale bewerking speelde met Lex Goudsmit en Hans (de zoon van Johan) Boskamp. De nieuwe tekst was geschreven door Eli Asser, die in zijn boek De geschiedenis van Potasch & Perlemoer noteerde hoe directrice Beppie Nooy de schrijfopdracht formuleerde: ,,Maar denk er om, lachen alleen is niet genoeg. Ik wil, dat je er ook iets inlegt van het verdriet, het verschrikkelijke, dat die mensen er niet meer zijn, die lekkere mensjes, van de Breestraat en van Uilenburg, begrijp je, ze zijn er niet meer, ze zijn er niet meer.'' Asser was, aldus zijn relaas, overtuigd van haar `volstrekt zuivere bedoelingen'.

Hij maakte ook een voorstelling die de vooroorlogse sfeer schilderachtig en met veel inlevingsvermogen opriep. In zijn witzen botste de wijsheid op de onzin, net als in de oertekst van Montague Glass. ,,Dat kost de zaak dan achttien zeer waardevolle minuten'', zei Ebie Potasch in de Asser-versie op bitse toon, nadat hij negen minuten op zijn compagnon had staan wachten. ,,Achttien? Ik ben negen minuten te laat!'' riep Perlemoer verbaasd. ,,En ik sta negen minuten op je te wachten!'' antwoordde Potasch.

In opdracht van Beppie Nooy situeerde Asser de handeling in vooroorlogs Amsterdam, hoewel hij eigenlijk vond dat Potasch en Perlemoer in New York moesten blijven – al was het maar omdat ze bijna failliet gingen door het betalen van een borgsom die in het Nederlands recht niet voorkomt.

Veertien jaar later ging de scenarist Dick van den Heuvel echter nog veel verder. Hij verplaatste de textielfirmanten niet alleen naar Amsterdam, maar zelfs naar de zomer van 1945. Potasch kwam in zijn stuk uit Dachau terug en Perlemoer uit de onderduik in Friesland, en hun negotie aan de Haarlemmerdijk was inmiddels in handen geraakt van een niet-joodse buurman die er eigenlijk niet op rekende dat nu juist zijn joden zouden terugkeren. Ach nee, had deze overdacht, ze zullen het wel niet hebben overleefd: ,,Voor die mensen zou dat ook niks zijn. De wereld is zo veranderd. Het is ook een vorm van genade.'' En intussen deed hij zich te goed aan de puike sigaren die in het kantoortje van Potasch en Perlemoer waren achtergelaten.

Potasch & Perlemoer, één grote tragedie werd in 1993 gespeeld door de bekende amateurtoneelgroep Toetssteen. Plannen om deze wrange komedie met kluchteffecten in de beroepssector uit te brengen, zijn tot dusver niet doorgegaan. Datzelfde geldt voor een verfilming door Gerrard Verhage, waarin de beide helden zouden optreden onder de namen Marx en Rosenblatt. Weliswaar zegde de NCRV al een deel van de financiering toe en liet Paul de Leeuw al eens weten dat hij die buurman wel wilde spelen, maar het Stimuleringsfonds en het Fonds voor de Film hebben de subsidie-aanvraag afgewezen wegens gebrek aan kwaliteit. Volgens het Stimuleringsfonds, dat culturele omroepproducties subsidieert, werd het scenario van Ger Beukenkamp gekenmerkt door `goedkope tragiek' en `grappigheid' die niet werkelijk humoristisch wilde worden'. Toch hoopt producent Paul Voorthuyzen dat het er alsnog van komt; op basis van extra gegevens over de manier waarop de teruggekeerde joden na de bevrijding in Nederland werden ontvangen, wil zijn compagnon Chiem van Houweninge een nieuw scenario schrijven.

Hans Boskamp en Fred Vaassen nemen dit seizoen het zekere voor het onzekere. Zij spelen de oude versie, op basis van een script uit de gloriejaren van wijlen Johan Boskamp. Potasch en Perlemoer kibbelen over een nieuwe verkoper, die bij zijn vorige baas `met wederzijds goedvinden' is vertrokken. Perlemoer trekt die formulering in twijfel, maar Potasch houdt zich eraan vast. Welnee, zegt Perlemoer, het betekent gewoon dat de man eruit is gesmeten. ,,Maurits'', reageert Potasch ten slotte met een vermoeide grimas, ,,ik zal je wat zeggen: jouw hoofd, doet mij pijn!''

Potasch & Perlemoer: première 21 okt in de Stadsschouwburg in Haarlem; tournee t/m 13 febr. Inl. 030-2802330.

Hans Boskamp en Fred Vaassen nemen het zekere voor het onzekere.

Ze spelen de oude versie

De positieve reacties overstemden de kritiek

op het gebruik

van joodse stereotypen