Eenheid in asielbeleid EU ver weg

In het Finse Tampere zijn de Europese regeringsleiders bijeen om te praten over een gemeenschappelijk beleid voor politie en justitie. Van eensgezindheid, onder meer over asielbeleid, is geen sprake.

Europa moet zich bezighouden met zaken die burgers direct aangaan, vindt de nieuwe voorzitter van de Europese Commissie, Romano Prodi. Dus heeft de Commissie onlangs een directoraat-generaal voor justitie en binnenlandse zaken opgezet. Het is een gevoelig onderwerp (asielzoekers, politie, drugs), want in alle vijftien lidstaten bestaan andere opvattingen over samenwerking op dit gebied.

Op de tweedaagse Europese top die vanmorgen in het Finse Tampere is begonnen, praten de regeringsleiders uitgebreid over dit onderwerp. De agenda lijkt volgens diplomaten op een ,,boodschappenlijst''. Voorzitter Finland, sinds 1995 EU-lid en daarom voorzichtig bij de organisatie van zijn eerste top, heeft alle landen gevraagd om onderwerpen. Finland wilde niemand voor het hoofd stoten en lijkt liever te mikken op een klein succesje dan op een grote mislukking.

Het is daarom de vraag of de regeringsleiders zullen toekomen aan fundamentele discussies over asiel- en immigratiebeleid, bestrijding van de georganiseerde misdaad en justitiële samenwerking. Al zou dat wel moeten, want in het Verdrag van Amsterdam is vastgelegd dat kwesties op het terrein van visa, immigratie en asiel binnen vijf jaar Europees moeten worden geregeld. Dat wil zeggen dat voortaan bij meerderheid wordt besloten over voorstellen van de Europese Commissie, gecontroleerd door het Europees Parlement, onder toezicht van het Hof van Justitie. Alleen over het asiel- en immigratiebeleid houden de lidstaten een vetorecht.

Ook bij de top van december vorig jaar in Wenen, spraken de leiders al over deze onderwerpen. Maar ze kwamen toen niet veel verder dan een vaag plan voor de totstandkoming van een `Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid'.

Het overleg over justitie en binnenlandse zaken verloopt zo moeizaam omdat voor elk besluit eenstemmigheid is vereist. Justitie wordt bij uitstek als een soevereine zaak van de lidstaten beschouwd. Als de ministers van Justitie dat even dreigen te vergeten, worden ze er snel aan herinnerd. ,,De ministers zitten vast aan de ketenen van hun ambtenaren en hun achterban'', zegt een op dit terrein gespecialiseerde diplomaat.

In Tampere zijn de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken zelf niet aanwezig – dan zou het gezelschap volgens diplomaten veel te groot worden. Hun taak wordt waargenomen door de collega's van Buitenlandse Zaken, die geacht worden het werk van alle vakministers Europees te coördineren. Maar van die coördinatie is de laatste tijd niet veel terechtgekomen. En ondanks goede bedoelingen zijn ze ook deze keer nauwelijks bij de voorbereiding van de top betrokken geweest.

Nederland hoopt, samen met België en Luxemburg, dat na Tampere de totstandkoming van een gemeenschappelijke asielprocedure voor de EU dichterbij is gekomen. De Benelux wil ook dat er een nauwkeurige omschrijving komt van wat vluchtelingen en ontheemden zijn. Andere lidstaten zijn veel vager. Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië reppen in een gezamenlijk document met geen woord over een gemeenschappelijke asielprocedure.

Wel zijn veel lidstaten voorstander van hulp aan de landen waar de asielzoekers vandaan komen, om daar de redenen van hun vertrek weg te nemen. Ook zouden ze de opvang van asielzoekers meer met elkaar in overeenstemming willen brengen. In een Frans-Duits-Brits document wordt met nadruk vermeld dat het beperken van het aantal immigranten in de EU door het terugsturen van `schijnasielzoekers' niet betekent dat de Europese bereidheid om vervolgden op te nemen minder wordt. Het is een poging om critici alvast de wind uit de zeilen te nemen. Vluchtelingenorganisaties vrezen vooral dat de EU van landen die op Europese steun hopen garanties gaan verlangen over het terugnemen van uitgeprocedeerde asielzoekers.

Als de top in Tampere alleen over het asielbeleid zou gaan, was de zaak nog te overzien geweest. Maar de regeringsleiders praten ook over mensensmokkel, over de grensbewaking van een in de toekomst in oostelijke richting uitgebreide EU, over wederzijdse erkenning van gerechtelijke uitspraken en uitleveringsprocedures, over de strijd tegen het witwassen van geld, over samenwerking bij de internationale criminaliteit, over het oprichten van een Europese politieacademie en over een Europese openbaar aanklager voor de bestrijding van fraude met EU-gelden.

Dat laatste, een zaak waarvoor Commissievoorzitter Prodi onlangs een pleidooi hield, stuitte kortgeleden nog op Nederlandse scepsis. Er zou geen rechtsbasis voor bestaan en onduidelijk was volgens Nederland wie een Europees openbaar ministerie zou moeten controleren. Maar na Benelux-overleg is Nederland bijgedraaid en verlangt nu een studie van de Europese Commissie naar de uitvoerbaarheid van het idee.

Dit soort studies biedt de regeringsleiders speelruimte en tijd om hun debatten nog even voort te zetten. De ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken wacht daarna de ondankbare taak om de conclusies van de regeringsleiders uit te werken. Ze zullen dan opnieuw worden geconfronteerd met het diepgewortelde gevoel van nationale soevereiniteit op justitieel gebied.