Een uiterst ongekuste mond

Het schilderen van ikonen was een heilige bezigheid. Hoe kunnen we naar ikonen kijken, nu dat heilig moeten niet meer telt?

Ik haat leugens... en eierwekkers haat ik ook. Mijn moeder zegt dat ik soms zo kan overdrijven en vraagt me uit te leggen hoe je in vredesnaam een eierwekker kunt haten. `Ze rinkelen veel te brutaal' opper ik, maar dat maakt weinig indruk op haar.

God rinkelt nog brutaler dan een eierwekker. Al weet bijna iedereen dat hij dood is en nooit meer wakker wordt, zelfs niet als je drie miljoen eierwekkers tegelijk naast zijn hoofd zou laten afgaan, feit blijft dat zijn resterende volgelingen toch steeds weer in hun bestaanswaan bevestigd willen worden, anders voelen ze zich gekwetst en volgen er represailles.

Chris Ofili, een jonge zwarte Engelse kunstenaar, maakte met verf en glitters een stralend hiphopschilderij van een platneuzige zwarte maagd Maria, wier beeltenis hij verder opsierde met vleesbubbels die hij uit pornoboekjes knipte. Op Maria's linkerborst hangt een beschilderde olifantskeutel die Ofili van een reis naar Zimbabwe meenam. Het schilderij wordt ook geschraagd door olifantskeutels. Ofili mixt het heilige met het banale, het opwindende met het vernederende, schoonheid met afval, en ja, dat is in de kunst al vaker gedaan, maar blijkbaar niet vaak genoeg, want het schilderij dat nu op een tentoonstelling in New York hangt, heeft daar een storm van protest losgemaakt onder katholieken die de Moeder Gods niet met poep in verband gebracht willen zien worden. Wellicht uit de overtuiging dat wie onbevlekt kan ontvangen ook onbevlekt uitscheidt. Onder aanvoering van de doldrieste burgemeester Giuliani trachten ze het museum miljoenen aan subsidie te laten ontzeggen. Het heeft iets merkwaardigs als gelovigen zeggen gekwetst te zijn door een kunstwerk, terwijl hun eigen kunst ondertussen uit zijn voegen barst van kwetsing en kwetsuren. Nergens wordt zoveel verkracht, glimlachend met wapentuig doorboord, genotzuchtig incest gepleegd, en worden zoveel brandstapels opgericht, mensen in kokende olie gefrituurd, langzaam uitgehongerd en op nog drie miljoen andere verfijnde manieren gemarteld als in religieuze kunst. En wat die vleesbubbels betreft; is een piepkleine afbeelding van een borst of kont zoveel obscener dan de stukjes heiligenhuid, verdroogde vingerkootjes en de ranzige afgeknipte teennagels die in menige kerk als kostbare kleinoden gekoesterd worden?

Oog in oog met een ikoon van de heilige Paraskeva op een tentoonstelling van Russische ikonen in het Catherijneconvent te Utrecht, kwam mijn oude weerzin tegen deze hypocrisie weer boven. Paraskeva, een vroege christen, werd ooit doodgemarteld wegens haar geloof en daarom prompt heilig verklaard. Het verheerlijken van lijden vind ik pervers, maar de ikoon zelf is prachtig. Paraskeva draagt een helderrode mantel. De achtergrond van de 16de-eeuwse ikoon is zeegroen. Dat werkt schitterend bij dat mantelrood en het goud van haar stralenkrans, maar het is een onbedoeld effect, veroorzaakt door onjuiste restauratie eind 19de, begin 20ste eeuw. De oorspronkelijke, felblauwe verf is destijds aangetast geraakt door het gebruik van oplosmiddelen en vervolgens behandeld met een geelbruin vernis dat diep in de poreuze blauwe laag doordrong. Veel meer ikonen zijn vernield tijdens onvakkundige restauratiewerkzaamheden, maar het kon nog erger; na de Russische Revolutie, toen atheïsme tot nieuwe religie was uitgeroepen, werden er zelfs wedstrijden gehouden wie de meeste ikonen kon vernielen.

De heilige Paraskeva kijkt ondertussen strak en somber, met gefronste wenkbrauwen en drie donkere wallen onder haar ogen, dwars door je heen. Robert Long zong het al: `Ja het leven was lijden als je danste een heiden als je lachte te luchtig als je kuste ontuchtig'. Paraskeva heeft een klein zuinig uiterst ongekust mondje. Misschien is ze ook wel geschilderd door iemand die nooit op zijn mond gekust is, want eeuwenlang werden de meeste ikonen gemaakt door monniken.

Grote ogen

Het woord `ikoon' is afgeleid van het Griekse `eikoon', dat beeld, gelijkenis, betekent. De ikonenschilderkunst ontstond in het Byzantijnse rijk en heeft haar wortels in de Egyptische Fajoem-schilderkunst uit het begin van onze jaartelling; op houten plankjes geschilderde afbeeldingen van mensen, die met grote, wijdopen ogen dwars door je heen naar een andere werkelijkheid lijken te staren. Na iemands overlijden werd zo'n portret op het gezicht van de dode gelegd.

Een tweede invloed waren de afbeeldingen van de Romeinse keizer, die tot in alle uithoeken van diens immense rijk gezonden werden om namens hem daar aanwezig te zijn, zijn macht en glorie te verkondigen. Ook een ikoon wil degene die afgebeeld is werkelijk aanwezig doen zijn. De aanbidding van de gelovigen is gericht op de figuur op de ikoon, niet op de ikoon zelf. Die geldt slechts als venster. Een venster op een andere realiteit.

In déze realiteit werden voor ikonen planken uitgezocht die zoveel mogelijk harsvrij waren. De ondergrond werd met een beitel uitgediept, om de schildering te beschermen. De plank werd met lijm bestreken en met een stukje doek beplakt. Daaroverheen werden vele, zeer dunne lagen krijt aangebracht. Dan werden de contouren van de voorstelling getekend, vervolgens werd het bladgoud aangebracht en ten slotte de kleuren. Daarna volgde een beschermende olie-harslaag, de olifa. Vaak werden ikonen gedeeltelijk met metaal bedekt waarop parels en edelstenen waren bevestigd. De olifa verdonkerde snel, werd bijna zwart, ook onder invloed van de kaarsen die men in kerken traditiegetrouw bij een ikoon liet branden, waardoor een voorstelling binnen honderd jaar vrijwel geheel kon verdwijnen en opnieuw overgeschilderd werd.

Het schilderen van ikonen was een heilige bezigheid, de schilder bereidde zich op zijn werk voor door gebed en meditatie. Gedurende het schilderen droeg hij een gebedsriem om zijn pols. Het ging hem in de eerste plaats om het stralende licht van God zo goed mogelijk in kleuren weer te geven, het kunstzinnige resultaat werd van ondergeschikt belang geacht.

In de 16de eeuw, een bloeiperiode voor de Russische ikonenschilderkunst, werd door de kerkelijke autoriteiten vastgelegd aan welke gedragsregels een ikonenschilder diende te voldoen: `het betaamt de schilder deemoedig te zijn, zachtzinnig, rechtgelovig, geen praatjesmaker, geen potsenmaker, niet twistziek, niet afgunstig, geen dronkaard, geen dief, geen moordenaar' enzovoort.

Mankepoot

Pan Apolek, de ikonenschilder die door de Russisch-joodse schrijver Isaak Babel in een kort verhaal wordt opgevoerd, lijkt op het eerste gezicht aan al deze eisen te voldoen. Hij krijgt van de pastoor van Novograd dan ook de opdracht diens kerk van nieuwe wandschilderingen te voorzien. Na vijf maanden ploeteren is het werk af. Tijdens de onthulling van de schilderingen ontstaat hevige opschudding. Apolek blijkt allerlei mensen uit het dorp, onder wie een veelvuldig overspelige jonge vrouw en een joodse mankepoot, als model voor zijn heiligen gebruikt te hebben. De kerkautoriteiten beschouwen dit als grove godslastering en geven bevel de wandschilderingen over te schilderen, wat Apolek weigert.

Er ontstaat een vete die dertig jaar zal voortduren. `Een oorlog, even nietsonziend als de passie van een jezuïet', schrijft Babel. Om in zijn levensonderhoud te voorzien schildert de door de clerus voor krankzinnig gehouden Apolek ikonen voor de boeren in de omtrek, `monsterlijke, heiligschennende, naïeve en schilderachtige familieportretten (..) afbeeldingen van Jozef met in het midden gescheiden grauwe lokken, gepommadeerde Jezussen, vruchtbare kinderrijke Maria's van het platteland met gespreide knieën.'

Een vicaris, door de bisschop gezonden om rapport uit te brengen, roept tegen de boeren die Apolek in bescherming nemen uit: `Hij heeft jullie met de onuitsprekelijke attributen van de heiligheid getooid, jullie, driemaal verworpenen in de zonde der ongehoorzaamheid, jullie, clandestiene brandewijnstokers, jullie, meedogenloze woekeraars, knoeiers met valse gewichten, jullie, gewetenloze sjacheraars met de onschuld van je bloedeigen dochters', maar de boeren pikken zijn uitbarsting niet. Ze vinden dat er meer waarheid is in de afbeeldingen van Apolek dan in deze woorden `vol verwijt en hooghartige toorn' en jagen de vicaris op de vlucht.

Babel beëindigt zijn verhaal met een bezoek aan Apolek dertig jaar later, als alle kerkautoriteiten inmiddels gevlucht zijn voor de bloeddorst van de kozakken. Apolek biedt aan om Babel als de heilige Franciscus af te beelden, verzekert hem dat de vrouwen daar dol op zijn en vertelt een bijzonder maar godslasterlijk verhaal over Deborah, een jonge Israelische bruid die in haar huwelijksnacht de hik krijgt van de aanblik van haar naakte echtgenoot. Het was een hik die `als een gezwel in haar keel opsteeg', zodat ze haar bruidsmaal uitspoog, waarop haar echtgenoot alle gasten opnieuw bijeenriep en haar met schande overlaadde. Jezus zou, vermomd als haar man, vervolgens uit medelijden de liefde met de `in braaksel terneerliggende' vrouw bedreven hebben. Uit die verbintenis werd negen maanden later een zoon geboren, de zoon van Jezus dus, volgens de ouwe Apolek.

Als iemand in zijn eentje iets vreemds doet, is hij kunstenaar of wordt hij gek verklaard. Als mensen gezamenlijk iets vreemds doen noemen ze het godsdienst. En wanneer die twee dingen op elkaar botsen ontstaat godslastering.

Superman

Natuurlijk zijn lang niet alle christelijke voorstellingen wreed en heftig. Op de tentoonstelling in Utrecht stikt het van de afbeeldingen van Maria, top-troosteres bij uitstek, en ook de dappere voorloper van Superman, St Nicolaas, is ruim vertegenwoordigd. Sinterklaas, in het westen verworden tot een folkloristische kindervriend wiens Pieten aan de lopende band zwarten kwetsen, was in Rusland een zeer gevierde heilige. Op een aantal ikonen is hij als helper in nood in actie te zien: hij redt de opvarenden van een scheepje tijdens een storm, redt een man van de bodem van de zee, geneest een ander met een verdorde hand, drijft de duivel uit een put, geneest ook nog een blinde, brengt een door de vijand gevangengenomen jongen terug naar zijn ouders en bevrijdt mannen die terechtgesteld dreigen te worden uit de gevangenis. Zijn verering nam soms zulke hevige vormen aan dat hij wel `de Russische God' genoemd werd.

Voor mij blijft de vraag bestaan hoe je deze ikonen het best kunt bekijken. Tentoongesteld in musea hebben ze hun functie als heilig voorwerp volkomen verloren, spreken ze een dode taal. Onze bewondering geldt vorm en kleur, vakmanschap, kostbaarheid, uniciteit. Het is kunst van een soms bijna buitenaardse schoonheid, maar om daar een mooie nieuwe dure religie van te maken lijkt me zinloos.

Zinvoller is het om iets van de ontstaansgeschiedenis van ikonen af te weten, of van de symboliek van de kleuren, met bijvoorbeeld rood als symbool van het goddelijke en blauw voor het menselijke. (Daarom draagt Jezus een rood onderkleed en een blauw bovenkleed, want hij is eerst God en dan pas mens.) Of te weten dat de drie sterren waarmee Maria steeds getooid wordt haar maagdelijkheid vóór, tijdens en na de geboorte van Christus belichamen. Maar zo'n feit doet ook meteen misselijkheid bij me bovenkomen. Pleur toch op met die stomme maagdelijkheid!

Op zo'n moment besef ik terdege dat je, hoezeer je je ook in de achtergronden van deze ikonen verdiept, ze nooit zult kunnen zien zoals ze bedoeld zijn; als een gebed in hout, bezield door hemels licht. Je kunt dat wel weten, maar niet ervaren, niet zien, vooral. Dus wat ze je eigenlijk tonen is je gemis aan geloof. Het leven na God is een moeizame zaak!

Datzelfde viel me ook op toen ik de gebundelde interviews las die Ischa Meijer gedurende vijfentwintig jaar hield. In die gesprekken vindt door de geïnterviewden een genadeloos zelfonderzoek plaats, dat vanzelfsprekend ook uitgelokt werd door Meijer. Veel joodse jeugd, angst, vertwijfeling, eenzaamheid. En steeds opnieuw blijken mensen de behoefte te voelen om achter de werkelijkheid te kijken, ook als ze er van doordrongen zijn dat zich daar geen rinkelende God meer bevindt. Judith Belinfante, onderduikkind, voormalig directeur van het Joods Historisch Museum, nu Tweede-Kamerlid, drukt het zo uit: `Ik ben van jongs af aan gepreoccupeerd geweest door de leegte. Hoe moet je omgaan met het gevoel dat er niets is? Moet je daar bang voor zijn, of niet? Kamertjes, achter elkaar, waarvan de deuren een eindje open stonden; daar ging je dan doorheen en op een gegeven ogenblik arriveerde je in een ruimte zonder muren, plafond of deur: niks – zou ik dat aankunnen? Durfde ik dat laatste stadium te bereiken? Alsmaar minder veiligheid, minder bescherming – kun je op den duur helemaal zonder? Met die vraag ben ik jarenlang zoet geweest.' Geen luchtig citaat, maar het laat wel zien dat elk mens als een klein, moedig venster op hemel en aarde kan fungeren.

Uit het hart van Rusland, ikonen en handschriften uit de 15de en 16de eeuw. Museum Catharijneconvent in Utrecht, t/m 14 nov.

Isaak Babel, De verhalen.

Ischa Meijer, De interviewer.

Met dank aan Pieter Kusters

Wat de ikonen je eigenlijk tonen is je gemis aan geloof

Dit is kunst van buitenaardse schoonheid, maar geen aanleiding voor een nieuwe religie