Een scherpe neus voor het onreine

Er zit altijd iets geheimzinnigs, iets van een mythe of een sprookje, in het werk van Allard Schröder. Een kosmos vol dreigende en verlokkende mysteriën omringt en doordringt de lotgevallen van zijn personages. In zijn vorige roman Raaf (1995) nam het mysterie de vorm aan van een angstaanjagende komeet. In zijn nieuwe – vierde – roman Grover is er een bos waarin de stemmen van de doden nog altijd te horen zijn, en er is een Christus-achtige figuur, Kalle Beck geheten. Over de werkelijkheid zegt deze Kalle: `Er schemert altijd een andere doorheen die je niet kent, maar die er misschien toch wel hoort'.

Wanneer dit gezegd wordt, is duidelijk dat die `andere' werkelijkheid niet per se heil brengt. Wie er niet tegen op kan, gaat eraan ten gronde. Kalle Beck, de `jongen die dacht dat alles goed zou komen', mag het aan den lijve ondervinden. Gek geworden, met voortijdig aan gangreen bezweken lichaamsdelen, noemt hij zich een `gat in de werkelijkheid'. De belofte die hij voor zijn jeugdvriend Grover belichaamde is op niets uitgelopen. Ooit leek hij diens toegang tot een andere wereld, een wereld vol `kristallijne helderheid', waarvan de `dierlijke' Grover sindsdien alleen nog kan dromen, ten prooi aan steriele `almachtfantasieën'.

Die fantasieën stimuleren niettemin Grovers verlangen om te ontsnappen aan de nederige wereld van zijn ouders. Grover (de naam heeft niets met Sesamstraat te maken) is de zoon van een dorpse garagehouder, en die erfenis zit hem al zijn leven lang dwars. Ondanks de stevigheid van zijn tweemaal per week in de sportschool getrainde `vlees', waant hij zich altijd de mindere in de hogere wereld van de bank, waar hij als `de botterik met het scherpe verstand' is terecht gekomen. Een vijfendertig jarig `dier' verdwaald in de beschaving.

Eigenlijk lopen er twee hoofdlijnen door elkaar in deze roman. De ene roept de herinnering op aan de `betoverde' jeugd van Grover en zijn vrienden, en laat zien hoe weinig daarvan is overgebleven. In de andere zien we hoe Grover zich via de vrouw van zijn superieur Bork toegang probeert te verschaffen tot de vanzelfsprekende `lichtheid' die deze Bork voor hem vertegenwoordigt: óók een andere wereld, maar verstoken van de `kristallijne helderheid' die met Grovers jeugddroom is verbonden.

De zuiverheid waar hij als kind naar hunkerde, blijkt nergens te vinden. Grover heeft een scherpe neus voor het `onreine', en ook bij de mooie, elegante Madeleine Bork weet hij het aan te treffen. Eerst in de `verborgen smet' van haar diamanten ring, vervolgens in het seksuele avontuur dat zij samen beleven. Het duistere machtsspel dat daarvan de kern uitmaakt, raakt aan de duisternis van vlees en bloed, aarde en dood, die Grover van oudsher met zich meedraagt.

De dood doet zelfs letterlijk zijn intrede, in de gedaante van een meisje dat door Madeleine wordt aangereden wanneer Grover haar in zijn auto achtervolgt. Weliswaar blijkt het meisje niet echt dood te zijn, maar een gedeelde schuld werpt van meet af aan een schaduw over hun liaison. Zelfs de gehate en bewonderde Bork verliest iets van zijn onaantastbaarheid, als Grover erachter komt dat hij zich aan onoirbare financiële transacties heeft schuldig gemaakt. Een dubbele desillusie (zowel de magische wereld van Kalle als de lichte wereld van Bork en diens Madeleine maken hun belofte niet waar) stelt hem ten slotte in staat zich van zijn geboortedorp en misschien ook van zijn erfelijke belasting te bevrijden.

Ik stel het nu schematischer voor dan het er in werkelijkheid uitziet. Op de meer dan vierhonderd bladzijden van zijn roman neemt Schröder ruimschoots de tijd om Grovers overgang naar de `andere kant' (die in feite niet meer blijkt te zijn dan een `volgende levensfase') uit de doeken te doen. Daaraan komen diverse nevenintriges en nog veel meer personages te pas, waarvan de noodzaak zich niet steeds even krachtig opdringt. `Ik weet niet waar dit me brengen zal', bekent de schrijver in de eerste alinea, `Ik heb een plan en ik heb Grover, al is mij nog niet duidelijk wie hij is'. Het lijkt wel of Schröder de onbestemdheid van dit begin nooit helemaal van zich af heeft weten te schudden.

In de roman zitten beslist sterke scènes (Grover die een hardgekookt ei obsceen als een mannelijk geslachtsdeel in en uit zijn mond laat schuiven, ondertussen de secretaresses van de bank beloerend – zoiets vergeet je niet gauw meer), maar een sterk verhaal wil het `plan' maar niet worden. In zijn recente essaybundel Oud nieuws omschrijft Piet Meeuse zo'n `sterk verhaal' als een verhaal dat van zijn personages gebruik maakt om zélf iets te betekenen. Bij Schröder is het eerder andersom: de personages moeten het op zichzelf nogal sjabloon-achtige `plan' betekenis geven.

Hier wreekt zich echter de mythische dimensie, die ook in de karaktertekening van de hoofdpersoon haar sporen nalaat. Wie Grover is, dat weet Schröder immers overduidelijk te maken: een vlezig `dier' met een hang naar het hogere en het andere, maar veel méér ook niet. Voor verfijning of nuance is onder zijn robuuste pen geen plaats. Het portret blijft eendimensionaal, zoals wel vaker bij mythische helden.

Om dat laatste te benadrukken neemt Schröder geregeld zijn toevlucht tot loodzware explicaties, die moeten aanvullen wat het gedrag onvoldoende suggereert. `Zijn ouders roerden zich in zijn vlees, boeren met koppen van rot hout en lippen die gesprongen waren van de veenkoorts', lezen we bijvoorbeeld. Of: `De zwarte hond van de melancholie maakte zich los uit de schaduwen, omhoog gekropen gal beet in zijn keel, de geest vluchtte weg naar het zoet van de herinnering'. Zinnen als deze (vaak met veel erfelijke modder en bos erin) maken van Grover in de praktijk een grotesk en pathetisch personage, zonder dat Schröder onomwonden voor de groteske, met alle pathetiek die daarbij kan horen, heeft willen kiezen.

Het geeft zijn roman een hybridisch en weerbarstig karakter, dat niet vloekt met de hoofdpersoon, maar dat het geheel wèl tamelijk rommelig en vreemd genoeg ook voorspelbaar maakt. Vierhonderd bladzijden worden dan echt te veel van het goede, iets wat met een strakker, subtieler en verrassender verhaal ongetwijfeld anders zou hebben uitgepakt.

Dat hij tot zo'n verhaal in staat is, heeft Allard Schröder bewezen in zijn uitstekende bundel Het pak van Kleindienst (1996). Had hij zijn mythische blik maar gecombineerd met de scherpte en het vertellersvernuft, waarvan hij blijk geeft in die vijf korte verhalen. Er zou vast iets bijzonders uit de bus zijn gekomen. Nu demonstreert hij voornamelijk dat je voor een lange roman als Grover toch wel wat meer nodig hebt dan alléén een plan en een personage.

Allard Schröder: Grover.

De Bezige Bij. 418 blz. ƒ39,90