Een opgezette paradijsvogel als inspiratiebron

Een `social climber' zou je Rembrandt in moderne termen kunnen noemen. Als zoon van een Leidse molenaar, zou zijn faam later in de 17de eeuw een hoge vlucht nemen. Hij oogstte waardering in de kunstwereld, verkeerde in het gezelschap van hooggeplaatsten, trouwde met een burgemeestersdochter uit Leeuwarden en betrok een statig pand in Amsterdam. Dat woonhuis – sinds het begin van deze eeuw Museum het Rembrandthuis – is in de laatste jaren grondig verbouwd om een idee te geven hoe het er in Rembrandts tijd moet hebben uitgezien. Nu de verbouwing is voltooid, heeft het huis zijn oorspronkelijke ruimte-indeling terug, zijn wanden en vloeren voorzien van 17de-eeuwse plavuizen en tegeltjes, en zijn bedsteden op hun oude plaats teruggebracht. De enige kamer die weer helemaal is ingericht, was ook in Rembrandts tijd een van de belangwekkendste: de zogenaamde `Kunst Caemer', het kabinet waar de schilder zijn collectie bewaarde.

In het vertrek staan op de vloer en op planken aan de wanden allerlei voorwerpen opgesteld: van gipsafgietsels van antieke beelden en mappen voor prenten en tekeningen tot exotische schelpen en opgezette dieren. Collecties zoals deze reconstructie er een toont, waren in de 17de eeuw niet ongewoon. Geleerden en rijke burgers omringden zich graag met voorwerpen van kunst en natuur. Dat een schilder een zo uitgebreide en kostbare verzameling bezat, was minder gebruikelijk: zou Rembrandt zich, door middel van een tomeloze verzameldrift, hebben willen spiegelen aan een sociale klasse waartoe hij aanvankelijk niet behoorde? De tentoonstelling Rembrandts schatkamer in de nieuwe vleugel van het Rembrandthuis en het begeleidende boek geven op die vraag een onderhoudend en aantrekkelijk ogend antwoord.

De bloeiende handelsmetropool Amsterdam vormde de plaats bij uitstek om een kunst- en rariteitenverzameling op te bouwen. Schilderijen en prenten van beroemde Italiaanse renaissancekunstenaars moeten er bijvoorbeeld vrij gemakkelijk te krijgen zijn geweest – voor wie er geld voor had tenminste. Van Rembrandt is bijvoorbeeld een schetsje bekend dat hij op een Amsterdamse veiling maakte naar het Portret van Baldassare Castiglione van Rafael (nu in het Louvre). Het destijds astronomische bedrag van 3500 gulden waarvoor het werk, zoals te lezen valt in een notitie die Rembrandt erbij schreef, van de hand ging, zal zijn budget te boven zijn gegaan. Maar vaak genoeg had hij wel succes. In de inventaris die bij zijn faillissement in 1656 van zijn boedel werd opgemaakt, komen schilderijen voor die destijds werden toegeschreven aan Rafael, maar ook werken van `Sjorjon' (Giorgione) en `Hanibal Crats' (Annibale Carracci). En Rembrandts verzameling prenten en tekeningen, van grote meesters als Dürer, Lucas van Leyden en Mantegna, moet groot en van hoge kwaliteit geweest zijn. Maar ook was hij, zoals de verzamelaars van zijn tijd, geïnteresseerd in allerhande exotica.

De tentoonstelling laat mooi zien hoe de collectie haar weerslag had op Rembrandts kunst. Zo is er een tekening van paradijsvogels waarvan de schilder opgezette exemplaren bezat. In details van sommige andere werken zijn voorwerpen uit de verzameling te herkennen: nu eens krijgt de geschilderde Artemisia een drinkbeker aangereikt in de vorm van een kostbare nautilusschelp, dan weer valt op de achtergrond van een tekening van Jaël en Sisera de 'Japanse hellemet' uit Rembrandts inventaris te ontwaren. Ook prenten en tekeningen van illustere meesters vormden uitgangspunten voor Rembrandt: vaak nam hij motieven of hele composities over, en een enkele keer kwam het tot een coproductie, zoals wanneer hij een etsplaat van Hercules Segers persoonlijk bewerkte. Vreemd is het wel dat voorbeelden en navolging naast elkaar zijn opgehangen in kijkdoosachtige vitrines, die de vergelijking waartoe de werken uitnodigen, bemoeilijken.

Met dit gedeelte van de opstelling wordt het gebruik dat Rembrandt maakte van zijn collectie duidelijk. Anders dan veel van zijn tijdgenoten, heeft hij er niet naar gestreefd een encyclopedische nieuwsgierigheid te bevredigen. Dat blijkt al uit het feit dat een behoorlijke bibliotheek ontbreekt en dat de prenten en tekeningen niet anders dan per kunstenaar of op onderwerp waren gerangschikt. Rembrandt verzamelde om het esthetisch genot en om het praktisch nut dat al die voorwerpen hem, als schilder, graficus en leermeester, konden verschaffen. Zijn verzameling kan dus onmogelijk in de eerste plaats bedoeld zijn geweest om aanzien en status te verwerven – al voerde hij, uiteindelijk meer dan zijn inkomen toeliet, de staat van grand seigneur.

Tentoonstelling: Rembrandts schatkamer. Museum het Rembrandthuis (Jodenbreestraat 4, Amsterdam). T/m 9/1. Publicatie (Uitg. Waanders): 159 blz., ƒ 39,50.