Dichter bij het gevoel blijven

De elfde bundel van C.O. Jellema, Droomtijd, opent met een gedicht over het zielsverlangen naar de oorsprong, of, zoals het in de slotregels wordt verwoord, over `als een wonder met/ open ogen de terugkeer aanvaarden naar/ eenvoud, in oorsprong het onbegonnene.' Wie eerder kennismaakte met de poëzie van deze theologisch geschoolde germanist, schrikt niet van zo'n hoge inzet. Niettemin blijft het wennen, temeer omdat het gedicht geformuleerd is in een taal die suggereert dat de twintigste eeuw niet afloopt, maar nog beginnen moet.

Zoals in Spolia (1996) streeft Jellema ook in Droomtijd naar tijdloze verzen. Slechts een viertal modernismen – `die film van gisteravond', `die bus', `een auto', `het lichtknopje in de gang' – verraadt dat dit poëzie van na 1900 is. Maar dan toch eerder van 1919 dan van 1999. Voor liefhebbers van Rilke is er veel blij herkennen, en de `Zes sonnetten' zijn net als bij Perk vanouds gebeeldhouwd. Dat geeft de gedichten in Droomtijd iets monumentaals – maar monumenten zijn ideale stofnesten. Voor een minder welwillende lezer is het taalgebruik van Jellema niet geacheveerd, maar geaffecteerd. Niet archaïsch, maar hopeloos ouderwets. Niet tijdloos dus, maar gedateerd.

Dat neemt niet weg dat menig vers van Jellema getuigt van meesterschap. Hij kent en beheerst het handwerk. Een mooi voorbeeld van dit kunnen is `Madrigaal':

Men komt van ver, na lange dag,

of is bij zich gebleven,

en al het andere dat men zag

wordt in de aanblik opgeheven

van bloesembloei, de wederkeer

die uit de zorg om wat verdort

een ziel omvat, ondeelbaar weer

en open of

de tijd het ogenblik vergat –

men denkt zich zo zijn tuin een hof

waar wat men elders deed en had

onschuldig en onschendbaar wordt,

en gaat het pad.

Zelfs wie deze echo van Leopold in de laat-twintigste-eeuwse kakofonie verloren hoort gaan, zal erkennen dat dit een goed gedicht is. Het vers is exemplarisch voor Jellema's opvatting van de dichtkunst. De waan van de dag is voor hem geen onderwerp. Filosoof als hij is, zoekt hij ook in de poëzie naar zingeving van het bestaan. Voor dichters is dat een gevaarlijk streven. Poëzie is er immers niet om de raadsels op te lossen, maar om ze te tonen – zoals de tastende rebustaal van `Madrigaal' dat doet.

Ook elders in deze bundel houdt Jellema het evenwicht op de smalle grens tussen dichtkunst en wijsbegeerte. Vooral waar droom en herinnering samenvallen levert dat mooie verzen op. Tuin en landschap spelen daarin, evenals in eerdere bundels, een rol die aparte aandacht verdient. Emblematische kracht heeft het gedicht over de `Hovenier' die dagdromend buiten zichzelf treedt tijdens het snoeien:

Van zeven zwanen ziet hij op hun roep

de vorkvlucht boven naar het noorden.

Nog hoger denkt hij zich planeten en

nog kouder, verder, sterren, overdag

onzichtbaar, en de grenzen van `t heelal.

Van daar ziet hij zich staan: een kruin,

verwaaide haren, een snoeischaar in

de hand, en naast de schoenen

die toefjes prille spriet net niet vertrapt.

De groensprieten van sneeuwklok en krokus vallen in nietigheid samen met de hovenier. Als een broodkruimel op de rok van het universum.

`Hovenier' is een van de vrije verzen in Droomtijd. De formulering benadert dan ook het alledaagse taalgebruik. Op zulke momenten is Jellema voor mij een groter dichter dan in zijn sonnetten of andere vormvaste verzen. Twee niet door metriek geregeerde gedichten zijn extra intrigerend, omdat ze in een nieuwe poëtische richting wijzen. Ik bedoel `Hand' en `Bijvoorbeeld het lichaam'. Als waren het gedichten van Kouwenaar, hebben beide een elliptische inzet. En in beide wordt de ellips tot het einde toe volgehouden.

`Die dit lichaam waartoe zij behoort/ reinigt met spons en zeep,' begint de lofzang in `Hand'. Tweeëntwintig regels volgen, even aards als de inzet – zoals in het tweede en derde couplet:

die van haar medehand nagels knipt,

in de gang op de tast het lichtknopje

vindt,

de pan boent, het bord in de kast zet,

de rozen, de vlinderstruik snoeit in het voorjaar

en aarde verkruimelde om de moerbei

– een armlengte klein nog – aandachtig te planten,

die voor me denkt in het doen zolang ik kan denken

om even indrukwekkend te eindigen met:

maar nu nog de zool is die loopt op

gevoel,

zoals Rilke zegt,

kijk, op de stoelleuning naast me, die hand.

Na lezing van Spolia concludeerde ik drie jaar geleden dat Jellema op zijn best is als hij geen verheven onderwerpen kiest, maar op Groningse grond, in de buurt van zichzelf blijft. De poëzie in Droomtijd bevestigt deze conclusie. Waar de theoloog, de filosoof of de germanist de overhand krijgen wordt het gedicht een zwaarwichtige rebus. Waar kennis het gevoel in de weg treedt, is een wetenschapper aan het woord, geen dichter. In Droomtijd gebeurt dit weliswaar minder dan in Spolia, maar ook nu is het evenwicht tussen emotie en rede soms zoek. De `Zes sonnetten' en `Twaalf gedichten' hebben een menselijker toon dan de drie langere, programmatische verzen die de bundel openen en afsluiten. De dichter van die humane, dicht op de huid liggende poëzie is mij liever dan de goddelijke boodschapper.

C.O. Jellema: Droomtijd. Querido, 45 blz. ƒ35,-