De toonloze onmacht van diplomaten

Wat zijn het voor mensen die op het internationale toneel de hoofdrol spelen? Robert van de Roer heeft voor NRC Handelsblad een aantal diplomatieke kopstukken geïnterviewd die onlangs zijn gebundeld en een goed beeld geven van wat topdiplomaten drijft. Het is het beeld van een strijd tussen idealisme en realisme.

Van diplomaten bestaat het beeld dat zij over het algemeen niet als olifanten in de porseleinkast tekeer gaan. Maar geldt dat ook voor de kanonnen die Van de Roer heeft kunnen interviewen? Iemand als Richard Holbrooke, ook bekend als `de bulldozer', meldt dat hij `wat bureaucratisch porselein kan breken'. Zijn uitvallen tegen de Servische onderhandelaars tijdens de totstandkoming van de akkoorden van Dayton in 1995 zijn legendarisch.

Eenzelfde emotionele gedrevenheid is zichtbaar bij Madeleine Albright, nu minister van Buitenlandse Zaken, voorheen VN-ambassadeur van de Verenigde Staten. Zij heeft zich ontpopt tot het meest interventionistische lid van de regering Clinton. Ze werd geboren in Praag en vluchtte op haar elfde met haar ouders voor het nazisme en het communisme naar Amerika. Haar gedachten werden bepaald door München, waar het Westen in 1938 Tsjecho-Slowakije aan Hitler afstond. Dat leidde ertoe dat zij de belangrijkste drijvende kracht achter het westerse ingrijpen in Kosovo werd.

Albright en Holbrooke komen naar voren als diplomaten die denken op basis van idealistische beginselen die lijken op die van de maakbare samenleving, maar dan op wereldschaal. Beiden zoeken bovendien voortdurend naar rechtvaardiging van hun handelen en beiden putten zich uit in retoriek. Het optreden in Somalië, waaruit de Amerikanen zich in 1993 terugtrokken na de beelden van een dode Amerikaanse soldaat die door de straten van Mogadishu werd gesleept, noemt ze bijvoorbeeld `een succes'. Die zonnige visie blijkt ook bij Holbrooke, die te optimistisch was over het vredesproces in Bosnië. `Het is een enkelvoudig land met twee delen' zegt Holbrooke ter verdediging van het bereikte resultaat. Zo kan alles worden rechtgepraat.

Optimisme, al dan niet gedreven door ideologie, en interventionisme zijn kenmerken die bij veel van de geïnterviewden voorkomen. Al in 1992 pleitte Lord Owen openlijk voor een humanitaire interventie in Bosnië. Hij werd gedreven door frustratie omdat de marine niet was ingezet om de beschieting van Dubrovnik te beëindigen. `Ik was toen te emotioneel', bekende hij Van de Roer. Bij Owen is een welhaast ideologische gedrevenheid zichtbaar, hoewel hij juist anderen daarvan beschuldigt. Hij neemt vooral Nederlanders op de korrel die hij onwetendheid en moralisme verwijt, waardoor het Vance-Owen Plan dat voorzag in een opdeling langs etnische lijnen van Bosnië, ter ziele ging.

Ook Hans van den Broek voldeed aan de genoemde kenmerken. Hij wordt door Van de Roer ten onrechte `ooggetuige van het failliet van de internationale aanpak in Bosnië' genoemd. Van den Broek was geen ooggetuige, maar als minister van buitenlandse zaken, en later als Eurocommissaris een van de verantwoordelijken voor het echec van de Bosnië-politiek. Hij pleitte voor de harde aanpak en hekelde EU-bemiddelaar David Owen wegens diens `strategie van capitulatie'. Van de Roer portretteert Van den Broek als een interventionist van het zelfde kaliber als Albright: `Ik vind dat er nu lang genoeg is gepraat en dat het tijd wordt voor daden: dat er wordt opgetreden tegen deze eenzijdige vorm van agressie door de Bosnische Serviërs jegens onschuldige burgers en tegen hun etnische zuiveringen', zegt hij na de val van Srebrenica. Ook VN-gezant Akashi krijgt een veeg uit de pan, want die zou te vaak militaire ondersteuning van de vredesmacht hebben tegengehouden.

Van de Roer portretteert aldus diplomaten die gedreven worden door de ambitie de wereld naar hun hand te zetten. Die ambitie komt veelal voort uit de overtuiging dat er een morele plicht bestaat in te grijpen als mensenrechten op grote schaal worden geschonden. Maar vaak blijken wenselijkheid en haalbaarheid niet te sporen en leveren hun interventies magere en vluchtige resultaten op. Dat geldt vooral voor de Bosnië-crisis, de periode die door Van de Roer wordt beschreven. Zijn boek zet dan ook aan het denken: waarom verplichten politici en diplomaten zich aan oplossingen die vaak onbereikbaar zijn en soms zelfs een averechts effect hebben, terwijl ze van te voren kunnen weten dat ze niet werken? James Baker, oud-minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, ziet het simpel: politieke leiders in alle landen volgen de opiniepeilingen, om te doen wat populair en populistisch is.

Een andere verklaring is dat geen van de geïnterviewden veel kaas had gegeten van het probleem hoe militaire macht de diplomatie kan ondersteunen. Achteraf bezien is een van de belangrijkste lessen uit de crises in het voormalige Joegoslavië deze: effectieve diplomatie is afhankelijk van een doelbewuste strategie, gericht op duidelijke politieke doelstellingen en een heldere visie op het ondersteunende gebruik van militaire macht. De secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan, stelt dat de huidige politici geen grote visies hebben maar snelle resultaten willen. `Dat is het grootste probleem van vandaag de dag', constateert hij.

Als het opnieuw is mis gegaan, komen de diplomaten veelal niet verder dan de constatering dat in een vroeger stadium krachtig militair had moeten worden ingegrepen. Maar hoe had dat dan gemoeten? Dat wordt niet duidelijk gemaakt. Het meest ontluisterend is zonder twijfel het fraaie interview met Yasushi Akashi, die het symbool is geworden van het falende VN-beleid in Bosnië. Volgens VN-ambassadeur Sacirbey was hij `intellectueel, cultureel en moreel' niet berekend voor zijn taak. Uit het interview blijkt eerder dat Akashi de speelbal was van de strijdende partijen en de internationale gemeenschap, die geen idee had hoe de kwestie Bosnië moest worden opgelost. Daarbij kwam dat hij vermalen werd tussen de VN en de NAVO die in een bittere competentiestrijd verwikkeld waren. Zijn machteloosheid komt schrijnend naar voren als Van de Roer het gesprek brengt op de val van Srebrenica: `We konden het niet voorzien, en zelfs als we het hadden voorzien, hadden we niets kunnen doen'. Als Van de Roer constateert dat hij zich volstrekt niet verantwoordelijk voelde voor de dood van 8.000 moslims, ook al was hij de VN-baas in Bosnië, antwoordt hij toonloos: `Inderdaad'.

Robert van de Roer: Frontdiplomaten. Confrontaties met internationale hoofdrolspelers. Balans, 220 blz. ƒ35,-