De Opec zou zo machtig kunnen zijn

Oliehandelaren raakten de vorige week in paniek door berichten dat Irak de kranen tijdelijk wat eerder mag opendraaien en dat de olievoorraden in het Westen niet zo snel als was verwacht slinken. Meteen kelderde de olieprijs met 4 dollar per vat. De oliemarkt kent zo haar eigen varkenscyclus, maar de meeste experts kijken naar langetermijntrends die een krappe markt voorspellen, met hogere prijzen.

`Wat is er nu eigenlijk veranderd', vraagt de doorgewinterde olie-expert Gijs van Dam van Smith Barney in Amsterdam zich vertwijfeld af als hij alle berichten van de laatste dagen op zijn computerscherm analiseert. ,,De olieproductie is sinds april fors verlaagd en daar zullen de Opeclanden zich aan vasthouden, want het heeft ze veel voordeel gebracht. Ze weten heel goed dat ze allemaal beter af zijn met een hogere prijs dan begin dit jaar toen de Noordzee-olie Brent maar 10 dollar per vat opbracht.

,,Maar wat krijg je als negatieve berichten die weinig met de werkelijkheid van doen hebben, over elkaar heenvallen? Mensen die in de termijnhandel langlopende contracten hebben, gaan als een haas posities verkopen. De een valt over de ander heen en de zaak slaat op hol. Dan boek je ineens een verlies van vier dollar per vat.''

Andere analisten spreken in dergelijke gevallen van speculatie. Wie olietermijncontracten tegen een lage prijs koopt, wil er in een dalende markt snel vanaf om verlies te vermijden, zonder zich druk te maken over de oorzaak van de daling. Maar Gijs van Dam zoekt houvast in echte oorzaken. Hij ergert zich eraan dat het persbureau Reuters steevast meldt dat de Opeclanden zich slechts voor 81 tot 83 procent houden aan hun afgesproken productievermindering, terwijl alle andere bureaus die dit onderzoeken, uitkomen boven de 90 procent. ,,Dan bel ik de hoogste redacteur van Reuters, die geen verklaring geeft, maar zich er vanaf maakt met de opmerking: ,,Wij zijn de grootste in deze business.''

De elf lidstaten van Opec (Organisatie van olie-exporterende landen) zuchtten vanaf de herfst van 1998 onder een extreem lage prijs voor hun product. Er kwam te veel olie op de markt, alle voorraadtanks in Noord-Amerika en West-Europa raakten bomvol. De zachte winter bracht geen verandering en eind december dipte de prijs zelfs beneden de 10 dollar per vat van 159 liter. Dat had Opec in geen jaren meer meegemaakt, maar het kartel ondernam geen actie.

In het vroege voorjaar hadden drie grote producenten – Saoedi-Arabië, Venezuela en Mexico – er genoeg van. Ze sloten in maart in de ambtswoning van de Algerijnse ambassadeur in Wassenaar een akkoord om de productie fors te verlagen. Binnen enkele weken omarmden alle olieministers van Opec behalve Irak dat beleid en prompt herstelde de prijs zich.

Eind september piekte de prijs boven de 24 dollar en het ene na het andere olieland verklaarde de krappe toevoer in elk geval vol te zullen houden tot 1 april 2000. Het cheaten van lidstaten (heimelijk de afgesproken productieplafonds overschrijden) waarom Opec al jaren om bekend staat, leek van de baan te zijn.

Maar deze markt kent zo zijn eigen varkenscyclus, omgeven met onzekerheden en min of meer toevallig optredende technische oorzaken, waardoor de oliestroom beïnvloed wordt. Maandag kwam het Internationaal Energie Agentschap (IEA) in Parijs met zijn Oil Market Report over september, dat de productie van Opec weer 420.000 vaten per dag hoger raamde, op 26,43 miljoen vaten per dag, tegen 26,01 miljoen in augustus en 26,27 miljoen in juli.

Irak, dat buiten de afspraken voor productievermindering valt, droeg daar slechts 60.000 vaten aan bij. Iran bracht 190.000 vaten per dag meer op de markt, Saoedi-Arabië en Nigeria elk 50.000 vaten. Dat is op zich niet zoveel op het totaal, maar ruim voldoende om de markt in beweging te brengen. De pijnlijkste constatering van het IEA is dat de mate waarin Opec zich aan de eigen afspraken over beperking houdt (compliance in het vakjargon) was gedaald van 94 procent in augustus tot 86 procent in september. Volgens IEA-medewerker David Knapp, die het rapport opstelde, is echter de meest verrassende conclusie dat de olievoorraden in de industrielanden (de OESO-lidstaten) in september nog licht waren toegenomen.

,,Kijk, die voorraadpositie is een echt feit waar de markt terecht op reageert'', zegt Gijs van Dam. Dat duidt erop dat de prijzen iets te snel waren gestegen. Ik denk dat dit de Opeclanden aanmoedigt om zich strenger aan de afspraken te houden. Ze gaan ervan uit dat de voorraden het laatste kwartaal en het eerste kwartaal van 2000 scherp zullen dalen. Daarom denk ik dat we nu tijdelijk een prijsdipje doormaken en dat een verdere stijging van de olieprijs te verwachten is. Belangrijk is ook of er een strenge winter komt. De eerste indicaties van onze deskundigen zijn dat het aan de koude kant wordt.''

Van Dam bevindt zich in goed gezelschap want sjeik Yamani, de vroegere olieminister van Saoedi-Arabië, voorspelde onlangs al een ,,prijscrisis'' voor de komende winter. Yamani, die in 1960 als jong petroleumingenieur aan de wieg van Opec stond, leidt tegenwoordig het prestigieuze Centre for Global Energy Studies in Londen. In augustus adviseerde hij Opec tot meer flexibiliteit. Want bij een te hoog oplopen van de prijs zouden belangrijke niet-Opeclanden als Noorwegen, Groot-Brittannië en Mexico hun productie weer opvoeren ten koste van het kartel.

Oliedeskundige dr. Coby van der Linden van het instituut Clingendael in Den Haag denkt dat het niet zo ver komt. Ze velt een hard oordeel over het recente Opecgedrag: ,,De afspraken die ze gemaakt hebben over productiebeperking blijken weer net zo zacht als voorheen. Er komt extra druk op Opec. Al die landen zitten met ernstige financiële problemen en de helft wil nog steeds veel geld aan wapens besteden.''

Voor de stijgende productie van Irak moet eigenlijk binnen het Opecplafond ruimte worden gemaakt, zegt Van der Linden. ,,En kijk eens naar de ontwikkeling in Venezuela. De nieuwe president, Chavez, wil een groot deel van de olie-inkomsten aan populistische projecten besteden. Het knaagt aan alle kanten en in zo'n situatie wordt een beetje smokkelen met je quotum heel aantrekkelijk.''

Ze vergelijkt het huidige Opecbeleid met ,,stop-and-go'' gedrag: ,,Op de rem trappen bij de productie als de prijs halveert en het echt niet anders kan, en als er maar even een kans is teugels weer laten vieren.'' Van der Linden ziet veel in het voorstel dat Venezuela in augustus deed, voor een meer gestructureerd beleid: een bepaalde vaste bandbreedte waarbinnen de olieprijs zich moet ontwikkelen. Beweegt de prijs zich te dicht naar de onder- of bovenkant van die marge, dan volgt automatisch een correctie in het productievolume. ,,Maar dan moet je ook tevoren afspreken welke landen daarin een rol spelen en welke bijdrage ze moeten leveren.''

Het Venezolaanse voorstel wordt momenteel op het Opec-kantoor in Wenen bestudeerd. Insiders die niet met hun naam in de krant willen, menen dat het vooral van de politieke wil zal afhangen of dit idee en kans krijgt. Want een aantal lidstaten wordt bestuurd door vrij autoritaire regimes die dictaten uit Wenen niet op prijs zullen stellen. En Opec is een intergouvernementele organisatie die volgens de statuten bij unanimiteit beslist, zeker over dit soort ingrijpende veranderingen.

Professor Robert Mabro, directeur van het Oxford Institute of Energy Studies, schreef onlangs op de website van zijn instituut een interessante bijdrage als variant op het Venezolaans initiatief. Olie-exporteurs, zegt Mabro, oefenen hun macht op de markt ,,ongeregeld en onbeholpen'' uit, en hun beslissingen zijn soms te vergelijken met ,,een schot in het donker''. Opeclanden zouden een beter lot verdienen, want de grote producenten onder deze groep zijn de enige die reservecapaciteit in hun productie kunnen inzetten als de prijsontwikkeling ze niet aanstaat. De meeste westerse niet-Opecproducenten hebben die flexibiliteit niet. Bovendien nemen hun olievoorraden snel af. De Opecgiganten in het Midden-Oosten hebben een veel sterkere positie. Met hun reserves kunnen ze het huidige productieniveau nog ruim 80 jaar volhouden. De wereld zal daarom voor haar olievoorziening steeds afhankelijker worden van het Midden-Oosten, zoals weerspiegeld wordt in grafiek 1.

Mabro omarmt het idee van een bandbreedte voor de prijzen, maar adviseert Opec om niet het niveau van de productie te laten fluctueren, maar dat van de export. Dat betekent tijdelijke buffervorming in opslagvoorraden als de export omlaag moet. Het voordeel is volgens Mabro dat smokkel met de quota wordt uitgebannen, want controle op de export is veel makkelijk dan op de productie. Exportgegevens van de elf lidstaten kunnen maandelijks worden verzameld door eenvoudigweg de ladingpapieren van tankers bij een `ombudsman' te deponeren en Lloyds in Londen het bestaan van `dubieuze' tankers te laten controleren.

Volgens David Knapp van het Internationaal Energie Agentschap en analist Gijs van Dam beweegt de oliemarkt zich ondanks de nu nog te ruime voorraden in de OESO-landen in de richting van een krapte die de prijzen (inmiddels 21,90 dollar per vat tegen 11 dollar een jaar geleden) in het winterseizoen geleidelijk nog wat zal opstuwen.

Behalve aanwijzingen voor die trend op de korte termijn is er nog een belangrijker reden voor hogere prijzen in de verdere toekomst. Die is gelegen in de afnemende nieuwe oliereserves. Begin september legde oliegeoloog dr. Anne van de Weerd uit Utrecht in deze krant uit dat de productie en het verbruik van olie veel sterker toenemen dan de ontdekking van nieuwe olievelden (grafiek 2).

Van de Weerd baseert zich onder meer op een recente studie van de IHS Energy Group in Genève. Ondanks alle nieuwe ondekkingen, voor de kust van Angola, de Golf van Mexico, Noorwegen, in de Kaspische Zee, Rusland, Iran en hier en daar in het Verre Oosten werd er de laatste tien jaar in totaal slechts 110 miljard vaten aan `nieuwe olie' gevonden, tegen een verbruik van 247 miljard vaten in dezelfde periode. Ook het IEA in Parijs wijst in zijn jongste Energy Outlook op die relatie. Tussen 2010 en 2020 is een piek in de productie van conventional oil (met de huidige technieken relatief makkelijk te winnen olie) te verwachten. Van de Weerd verwacht die piek zelfs nog eerder omdat de officiële cijfers over de reserves volgens hem onzorgvuldig zijn en ,,best behoorlijk kunnen tegenvallen''.

Ruim vóór de piek zal de markt reageren met een stijging van de prijzen. Wordt eenmaal een marge van 25 à 30 dollar per vat bereikt, dan zal de olie-industrie unconventional oil uit teerzanden, leisteen en dergelijke gaan maken. Ook projecten voor duurzame energie krijgen dan betere kansen.

Alleen als de wereld werkelijk ernst maakt met de aanpak van het klimaatprobleem door het olieverbruik drastisch in te perken, verandert het beeld. Opec heeft berekend dat bij uitvoering van de afspraken die in Kyoto zijn gemaakt, het verbruik in de OESO-landen vanaf 2005 met 5 tot 6,5 miljoen vaten per dag omlaag zal gaan, c.q minder zal stijgen. ,,Dat betekent voor Opec een stagnatie in de groei van de afzet'', zegt Coby van der Linden. Want de groei van het energieverbruik in de ontwikkelingslanden zal die vermindering niet kunnen opvangen'', heeft ze berekend.

Maar belangrijke Opeclanden als Iran, Saoedi-Arabië, Irak en het kleine Qatar hebben nog een belangrijke troef in handen: hun grote aardgasreserves. Om aan de Kyoto-afspraken te voldoen zullen veel westerse landen voor hun energievoorziening meer gas inzetten, ten koste van olie. Daardoor, èn als gevolg van hogere energiebelastingen (`ecotax') wordt energie duur. Als de Opecministers het niet eens worden over een strakker management kunnen de prijzen tijdelijk wel in een dip komen, maar over een langere termijn beschouwd raakt het tijdperk van de goedkope olie ten einde.