De kans op een kernoorlog is nu groter dan ooit

Nu de Amerikaanse Senaat het kernstopverdrag niet heeft geratificeerd is het proces van nucleaire wapenbeheersing in groot gevaar. De mogelijkheid van een kernoorlog is sinds gisteren derhalve meer dan ooit aanwezig, meent Jonathan Power. De VS zullen bij een dergelijk conflict niet buitenspel kunnen blijven.

Het feit dat Bill Clinton niet genoeg stemmen in de Senaat heeft vergaard om het mede door de VS geëntameerde verbodsverdrag inzake kernproeven geratificeerd te krijgen, betekent een nieuwe mijlpaal langs de weg naar een onvermijdelijk nucleair conflict. Sinds de coup in Pakistan is er al één land waar kernwapens in handen zijn van een militair regime dat geen verantwoording verschuldigd is aan enig burgergezag. Dat Clinton in die wetenschap heeft besloten zijn nederlaag te erkennen, wijst er weer eens op dat het Congres gevaarlijk slecht op de hoogte is van de gebeurtenissen in de wereld. Het Senaatsbesluit is een duidelijk signaal aan de buitenwereld dat de VS zich niet inzetten voor nucleaire wapenbeheersing, ook niet als die in hun eigen belang is. De VS zijn in staat te reageren ná een catastrofe, maar het gevaarlijke is dat zij blijkbaar een instinctieve, voorzienige wijsheid ontberen die rampen zou kunnen voorkomen.

Dat de VS en Rusland elkaar met kernwapens bestoken, blijft voorlopig onwaarschijnlijk, maar het gevaar dat ze worden gebruikt in een oorlog tussen Pakistan en India is thans nog groter dan eerder dit jaar tijdens de gevechten om Kashmir, toen waarnemers meenden dat beide landen met nucleair vuur speelden. Ook dreigen kernwapens te worden gebruikt in het Midden-Oosten, of door mafiose elementen die materiaal en kennis weten te verkrijgen uit zieltogende Russische kernwapenlaboratoria.

De verbreiding van kernwapens is nu zo ver voortgeschreden, en de kans die zich aan het eind van de Koude Oorlog voordeed om de nucleaire klok terug te draaien is inmiddels zo geslonken, dat er weinig meer in te brengen is tegen de opvatting dat de tijd niet langer in ons voordeel werkt. Wat er had moeten gebeuren, zo heeft ex-bevelhebber van de Amerikaanse strategische (kern)strijdkrachten generaal George Lee Butler betoogd, was dat de VS in hun positie als winnaar van de Koude Oorlog hun morele overwicht zouden hebben ingezet voor een mondiale campagne – met onvermijdelijk tal van unilaterale en belangeloze facetten – om de wereld van kernwapens te verlossen.

Ik kan inmiddels veel begrip opbrengen voor de in hoofdzaak rechts denkenden in Amerika die ernaar streven dat de VS zo snel mogelijk een defensief schild aanbrengen. Een schild dat in staat is een kernkop gelanceerd door een gangsterstaat onschadelijk te maken – zij het niet een massale aanval door een nucleaire supermacht.

Het probleem is echter niet het instinctieve verlangen naar bescherming, maar de onmogelijkheid eraan te voldoen: een schild tegen kernkoppen beschermt namelijk niet tegen een kofferbom op het Grand Central Station in New York. En als de VS niet in staat zijn te verhinderen dat talloze kleine bootjes en vliegtuigen op hun grondgebied landen, hoe denkt het land dan de invoer van een kernbom langs diezelfde weg tegen te houden?

Dit besef bracht generaal Butler tot de vraag of ,,de geschiedenis zal oordelen dat de Koude Oorlog een soort paard van Troje is geweest waarmee kernwapens de wereld in zijn gesmokkeld en tot een aanvaardbaar element in haar dagelijkse doen zijn gemaakt''. Zo zijn we ertoe gebracht, aldus Butler, ,,na te denken over het ondenkbare, het onrechtvaardigbare te rechtvaardigen en het irrationele te rationaliseren.''

Maar tegenover elke generaal Butler, die nu de dwaasheid van de Amerikaanse hang naar het behoud van kernwapens inziet, staat een Bill Clinton, die handelt tegen beter weten in. Door niets wordt dit beter geïllustreerd dan door Clintons uitspraak van 15 maanden geleden, na de eerste kernproeven van Pakistan en India: ,,Ik kan niet geloven dat we de eenentwintigste eeuw zullen beginnen met het feit dat het subcontinent in de ergste fouten van de twintigste vervalt, terwijl we weten dat dat niet nodig is voor de vrede, voor veiligheid, voor welvaart of voor de grootheid en zelfverwezenlijking van een land.''

Maar wat heeft Clinton gedaan om de Amerikaanse psyche te bekeren, die er zo vast van overtuigd is – juist uit motieven die hij publiekelijk laakte – dat het bezit van een nucleair arsenaal absoluut noodzakelijk blijft, ook ná het eind van de Koude Oorlog?

Het kernstopverdrag was bedoeld als middel om de kernwapenwedloop een halt toe te roepen. Veertig jaar later, na een labyrint van onderhandelingen, nu de Koude Oorlog achter ons ligt, is er niet veel meer van over dan een kunstgreep om het nieuwe kernmogendheden – vooral India en Pakistan – moeilijk te maken hun nu nog betrekkelijk primitieve nucleaire arsenaal verder te ontwikkelen en te moderniseren. In het stadium waarin zij zich bevinden, is testen onontbeerlijk voor miniaturisering en het ontwikkelen van neuskegels, terwijl de VS en andere gevestigde kernmachten hun hegemonie over alle anderen kunnen handhaven met behulp van computersimulaties.

De verwerping van het verdrag door de Republikeinen in de Senaat was een pure reflex van vijandigheid tegen een Democratische regering. Maar ze is een stimulans voor landen die hun eigen weg willen gaan, en zal zich daardoor tegen Amerika keren.

Nucleaire wapenbeheersing en zelfs ontwapening, ooit het pièce de résistance van het Amerikaanse buitenlandse beleid onder presidenten van zo verschillende signatuur als Kennedy, Nixon, Carter en Reagan, heeft nog slechts de interesse van een snel slinkende minderheid. Noch Clinton noch zijn minister van Buitenlandse Zaken heeft ooit ook maar de geringste neiging aan de dag gelegd een serieus, radicaal standpunt in te nemen en het te onderbouwen met een gedegen publiekscampagne.

Het is dat het Russische kernwapenarsenaal door gebrek aan onderhoud en vernieuwing in staat van ontbinding verkeert, maar anders hadden we moeten concluderen dat het ontwapeningsproces vrijwel stilstaat. Het in 1993 ondertekende Tweede Verdrag inzake Strategische Wapenvermindering (START-II) is nooit door de Russische Doema geratificeerd – nadat eerst de Republikeinse voorzitter van de vaste Senaatscommissie voor Buitenlandse Betrekkingen, Jesse Helms, het zo lang had weten op te houden dat de vaart eruit was en vervolgens de communisten en nationalisten in het Russische parlement uit eigen motieven zijn voorbeeld hadden gevolgd.

Deze impasse moet doorbroken worden. Een jaar geleden lieten hoge functionarissen van het Pentagon weten dat zij bereid waren te pleiten voor een eenzijdige inkrimping van de Amerikaanse nucleaire sterkte, tot tenminste het feitelijke krachtsverlies aan Russische zijde. En opnieuw heeft onder druk van Helms cs. het Witte Huis geweigerd hierin het voortouw te nemen.

Reeds onder normale omstandigheden zou men verwachten dat de coup in Pakistan een blikopener zou zijn voor hen die menen dat er met de nucleaire status quo wel te leven valt. Maar de partij-ijver in Amerika is van dien aard dat rationeel denken moet wijken voor gevaarlijke gespletenheid. Kernwapens zijn van meet af aan en nu meer dan ooit 's werelds ernstigste dreiging. We zijn tijdens de Koude Oorlog op een haar na ontsnapt aan een kernoorlog, niet één keer maar tenminste zes keer. De kans op zo'n oorlog is nu groter dan ooit. Maar de Amerikaanse president en de Senaat vergeten elk op hun eigen wijze hun verantwoordelijkheden en denken alleen maar over irreële plannen om Amerika voor een wereldbrand te beschermen.

Jonathan Power is publicist.