De evenwichtskunst van een courantier

Journalistiek is – het woord zegt het al – ééndagswerk. Wat vandaag geschreven is, is morgen vergeten. Ook journalisten zijn vergeten zodra zij niet meer schrijven. Dat geldt zelfs voor dr. Marcus van Blankenstein, die in de jaren twintig en dertig een van de bekendste Nederlandse journalisten was. Zijn biografe, Elisabeth van Blankenstein, erkent dit tegen het eind van het boek dat zij aan hem, haar grootvader, heeft gewijd en waarop zij op 6 oktober aan de Leidse universiteit promoveerde: `Inmiddels (...) is de naam van de journalist Van Blankenstein vrijwel uit het nationale geheugen verdwenen.'

Wil zo'n boek meer dan antiquarische betekenis hebben, dan moet het dus de hoofdfiguur schetsen tegen de achtergrond van zijn tijd en zijn werk toetsen aan de normen die toen gangbaar waren. Wie de biografie van Van Blankenstein zeventig jaar na het hoogtepunt van zijn journalistieke carrière leest, ontkomt niet aan de conclusie dat die normen – en blijkbaar ook de journalistieke normen – toen anders waren dan nu. Ook de betekenis die Van Blankenstein had, in eigen land en elders, was zo groot omdat de positie van Nederland toen een andere was dan nu. Alleen al daarom is Van Blankenstein niet meer geëvenaard.

Dubbelzinnigheid

Een Nederlands dagbladdiplomaat, zo luidt de ondertitel van de biografie. Hoewel het woord in de tekst tussen aanhalingstekens staat, is het blijkbaar een vondst van de schrijfster zelf, die daarmee een dubbelzinnigheid aanduidt waarvan zij zichzelf misschien niet bewust is. Kan immers een journalist tegelijkertijd diplomaat zijn? Van Blankenstein was het. Al vroeg in zijn loopbaan als journalistieke berichtgever trad hij tevens op als overbrenger van diplomatieke boodschappen, bracht hij onderhandelaars van verscheidene mogendheden bij elkaar en rapporteerde hij aan de Nederlandse regering. Toen hij na zijn breuk met de Nieuwe Rotterdansche Courant, in wier dienst hij sinds 1905 had gewerkt, in 1936 naar het Utrechtsch Nieuwsblad overging, verklaarde de directeur van dit dagblad dan ook, zonder merkbare ironie, dat `deze spreekbuis van de regeering' een mooie aanwinst voor zijn krant was.

Intussen is duidelijk dat Van Blankenstein zulke extra journalistieke activiteiten niet had kunnen uitvoeren als hij niet al een entree bij de toenmalige kanselarijen had gehad. Zelf lijkt hij zich niet bewust te zijn geweest van een mogelijk conflict van belangen. Hij zag de informatie die hij aldus verkreeg eerder als `handelswaar': op die manier kreeg hij informatie die hij wèl in de krant kon zetten. Zijn biografe, die overigens allerminst onkritisch tegenover haar grootvader is, ziet daar blijkbaar ook geen conflict, want herhaaldelijk legt zij de nadruk erop dat Van Blankenstein de onafhankelijkheid van de journalist hoog in zijn vaandel had staan.

Het kan inderdaad niet ontkend worden dat alle goede relaties die hij met Haagse regeringskringen had, hem er niet van weerhielden deze, zo nodig, te kritiseren. Zo stond hij in de kwestie van het Moerdijkkanaal, dat Antwerpen moest verbinden met de Rijn, lijnrecht tegen minister van Buitenlandse Zaken Van Karnebeek. In deze zaak trad hij echter weer buiten de eigenlijke journalistiek: `Niet alleen in de pers, maar ook achter de schermen trachtte hij Nederlandse parlementariërs van zijn zienswijze te overtuigen', schrijft Elisabeth van Blankenstein, die hier zelfs van `Van Blankensteins lobby tegen het verdrag met België' spreekt. Tevens beijverde hij zich, ook buiten de kolommen van zijn krant, voor het aangaan van betrekkingen met de Sovjet-Unie, maar hier vond hij Van Karnebeek eerder aan zijn kant.

Tegen het eind van het interbellum, toen de dreiging van Hitlers Duitsland steeds duidelijker werd, had hij ook nauwe betrekkingen met de Engelse, maar ook met de Tsjechoslowaakse en de Nederlandse inlichtingendiensten. Hij regelde zelfs de betaling van agenten. Dat hijzelf ook voor zijn diensten betaald werd, zou hij later ontkennen, wat niet ongeloofwaardig hoeft te zijn: immers, hij was, niet alleen als jood, zo doordrongen van het gevaar dat hij voor bestrijding daarvan niet extra betaald hoefde te worden. Dat kan wellicht tevens als excuus gelden voor wat nu als een vermenging van journalistieke en andere activiteiten beschouwd zou worden.

Of deze vermenging in het vooroorlogse Nederland algemeen aanvaard werd, komen we uit de biografie niet te weten. Daarvoor zou de schrijfster haar grootvader veel meer hebben moeten beschrijven als exponent van zijn tijd dan als fenomeen en zich hebben moeten verdiepen in de journalistieke normen van toen. Het zou dan bijna een vergelijkende studie hebben moeten worden, waarbij de werkwijze van tijdgenoten als Elout en Plemp van Duiveland, ook journalistieke coryfeeën, betrokken had moeten worden – een heel wat ambitieuzere studie dus dan de onderhavige, die al op uitvoerig speurwerk berust.

Reisredacteur

Van Blankenstein, die taalkunde had gestudeerd, is zijn journalistieke loopbaan begonnen door, werkzaam aan de universiteit van Kopenhagen, brieven over Denemarken te schrijven aan de NRC. Dat deed hij zo goed dat die krant hem in 1909 vroeg haar vaste correspondent te Berlijn te worden. Onderwijl – de Eerste Wereldoorlog was intussen uitgebroken – bezocht hij de oorlogsfronten en, na het begin van de Revolutie, ook Rusland. In 1920 werd hij reisredacteur, met standplaats Rotterdam. In die functie bezocht hij onder andere ieder jaar de Algemene Vergadering van de Volkenbond in Genève, waar de staatslieden der aarde bijeenkwamen. Het is in die jaren dat hij de gelegenheid kreeg een uitgebreid netwerk van contacten op te bouwen. De neutraliteit van zijn land was hem daarbij ten dienste, omdat hij er niet van verdacht kon worden te behoren tot deze of gene partij.

Die jaren als reisredacteur heeft hijzelf altijd als het hoogtepunt van zijn carrière beschouwd, omdat hij het nieuws uit de eerste hand kon krijgen. In 1931 kwam er een eind aan Van Blankensteins reizen. De economische crisis was uitgebroken, en het geld voor die reizen ontbrak. Hij kreeg toen de taak het dagelijks buitenlands overzicht, De Toestand, te schrijven – een overzicht dat meestal ook commentaar was. Daar had hij kennelijk minder plezier in, want dat deed hij vanuit Rotterdam en in de eerste plaats op grond van nieuwsberichten en buitenlandse kranten.

Breuk

Het zijn die commentaren en rapportages die ten slotte tot zijn breuk met de NRC hebben geleid. Intussen waren er twee dingen gebeurd die een beslissende invloed op zijn functie zouden hebben. In 1933 was Hitler in Duitsland aan de macht gekomen, en in 1936 had de NRC een nieuwe hoofdredacteur gekregen, mr. P.C. Swart. Blankenstein, die het gezag van de voorgaande hoofdredacteur, mr. G.G. van der Hoeven, altijd had aanvaard, deed dat met meer moeite met Swart – zeker waar het de internationale politiek betreft. Aanvankelijk eiste Van Blankenstein dat hij hoofdredactionele bevoegdheid over de rubriek buitenland zou krijgen, maar dat kon Swart niet inwilligen. In plaats daarvan kreeg hij de titel van adjunct-hoofdredacteur, hoewel deze benoeming, op Van Blankensteins verzoek, niet gepubliceerd zou worden. Helaas vermeldt Elisabeth van Blankenstein dit laatste niet. Het blijft speculeren over de motieven van Van Blankensteins ongebruikelijke bescheidenheid op dit punt.

Maar het competentiegeschil tussen Van Blankenstein en zijn hoofdredacteur had ook politieke gronden. De eerste, volgeling van Woodrow Wilson en de Nederlandse volkerenrechtsgeleerde Van Vollenhoven, was een Volkenbondsidealist; Swart veel minder. Dat is op zichzelf een honorabel meningsverschil, en hierin behoort in laatste instantie de opvatting van de hoofdredacteur de doorslag te geven – wat ook de merites van die opvatting mogen zijn. Kortom, Swart begon te schrappen in de Geneefse kopij van Van Blankenstein – wat inderdaad en krasse maatregel is.

Het is waar dat Swart veel rechtser was dan Van Blankenstein, die eerder vrijzinnig-democraat was. Volgens Elisabeth van Blankenstein sympathiseerde Swart met het Nationaal Herstel, een autoritair partijtje dat van 1933 tot 1937 met één man in de Tweede Kamer vertegenwoordigd was. Het is weinig waarschijnlijk dat dit verschil in het conflict heeft meegespeeld. Tot in 1940 zou Van Blankenstein buitenlandse overzichten blijven schrijven in de Haagsche Post, ook nadat dit weekblad onder een rechtse hoofdredacteur was komen te staan.

Maar dat was niet alles. Tegelijkertijd was de zakelijke leiding van de krant, en met name directeur H. Nijgh, onder druk van Duitse kant en van Rotterdamse belangen komen te staan vanwege Van Blankensteins commentaren, die erg kritisch waren ten aanzien van het nationaal-socialistische Duitsland, waarvan ons land economisch afhankelijk was. Directie en commissarissen kwam het dus niet slecht uit dat er, om andere redenen, een conflict tussen Van Blankenstein en zijn hoofdredacteur was uitgebroken, en ook heeft Swart waarschijnlijk niet tot het uiterste zijn commentator verdedigd tegen de bedenkingen van de zakelijke leiding. In elk geval: Van Blankenstein nam ontslag. Natuurlijk veroorzaakte dit groot rumoer in het land, en even natuurlijk werd het in brede kring toegeschreven aan het feit dat de krant geen jood als belangrijkste commentator op internationaal gebied kon dulden. Deze beweegreden is alleen daarom al onwaarschijnlijk omdat de directie en commissarissen dezelfde jood zeven maanden tevoren hadden benoemd tot adjunct-hoofdredacteur.

Elisabeth van Blankenstein wijdt natuurlijk veel aandacht aan dit geschil, waaraan in de literatuur nog herhaaldelijk herinnerd wordt. Haar conclusie is dat Van Blankensteins competentieconflict met Swart `van doorslaggevende betekenis' is geweest voor zijn ontslag en dat de Duitse druk op de zakelijke leiding van de krant daarbij `medebepalend' was. Kortom het was een `samenloop van omstandigheden'. Deze verklaring verschilt niet zo veel van die van verscheidene oud-hoofdredacteuren van de NRC na de oorlog.

Aan deze zaak wordt hier betrekkelijk veel aandacht geschonken – niet alleen omdat deze krant, als opvolgster van de NRC, zich er niet van af kan maken, maar ook omdat, als Van Blankenstein nog niet helemaal uit het nationale geheugen verdwenen is, deze zaak daarvan de oorzaak is. Daarin kristalliseren zich dan ook de spanningen waaraan een klein en neutraal land toen onderhevig was. Heroïsch was de houding van de NRC niet, maar waren grotere landen veel moediger? De beschamende capitulatie van Engeland en Frankrijk moest nog, twee jaar later, komen.

Drama

Voor Van Blankenstein was het ontslag niet minder dan een drama. Weliswaar kon hij onmiddellijk, en in dezelfde functie, terecht bij het Utrechtsch Nieuwsblad, maar dat was toch niet hetzelfde forum als de vooroorlogse NRC hem ruim dertig jaar geboden had. Het is alleen zijn onverwoestbare optimisme, waarvan zijn kleindochter in dit boek veel staaltjes geeft, dat hem staande, en meer dan staande, heeft gehouden. Niettemin heeft hij, hoewel hij tot zijn dood in 1964 actief bleef, nooit meer die positie gehad die hij in de jaren twintig en dertig had ingenomen. Deels is dat natuurlijk hieraan toe te schrijven dat hij ouder werd en allengs zijn contacten verloor.

Waren die contacten overigens wel zo goed als hijzelf beweerde? Elisabeth van Blankenstein twijfelt daaraan: `Of hij al die prominenten ook zo goed kende als hij voorgaf, is de vraag', schrijft ze. Dat is een nogal vernietigende vraag, die bij mij, bewonderende jonge collega, nooit zou zijn opgekomen als prof. J.P.A. François, de chef van de afdeling Volkenbondszaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, mij niet eens had gezegd dat het hem opgevallen was dat Van Blankenstein, die hij jaarlijks in Genève ontmoette, hem meermalen had gevraagd: `Wie is dat?' van mensen die hij eigenlijk geacht werd te kennen.

En was zijn inzicht in de internationale politiek zo scherp als zijn reputatie wilde? Over zijn optimisme is al gesproken. Dat heeft hem lange tijd – ook nog na zijn ontslag bij de NRC – doen geloven in de Volkenbond en ook Hitlers `obsessie de wereld te overmeesteren' doen onderschatten. En zeker onderschatte hij Hitlers demonie, zoals hij in 1942, toen hij in Londen zat, trouwens zou toegeven. Van Blankenstein, in 1880 geboren, was eigenlijk meer een man van de negentiende dan van de twintigste eeuw.

Dat verklaart wellicht mede zijn populariteit in een land dat, zoals M.C. Brands eens schreef, `anders dan de meeste landen om ons heen, zijn onschuld en naïveteit niet verloren' had in de oorlog van 1914-1918. Voor Nederland begon de twintigste eeuw eigenlijk pas in 1940, en toen was Van Blankensteins ster al aan het tanen.

Elisabeth van Blankenstein:

Dr. M. van Blankenstein.

Een Nederlands dagbladdiplomaat 1880-1964. Sdu, 403 blz. ƒ49,90