Actief in conflicthaarden in de wereld

De Nobelprijs voor de Vrede die de internationale hulporganisatie Artsen zonder Grenzen vandaag heeft gekregen, zal voor een bekende Franse dokter bijzondere betekenis hebben: voor Bernard Kouchner, de huidige hoge vertegenwoordiger van de Verenigde Naties in Kosovo. Het was Kouchner die bijna dertig jaar geleden, samen met zijn collega arts Max Reclamier, Artsen zonder Grenzen in Frankrijk opzette, uit onvrede over de medische internationale hulpverlening zoals die op dat moment plaatshad.

Kouchner en Reclamier werkten eind jaren zestig als arts in Nigeria voor het Rode Kruis ten tijde van de Biafra-oorlog. Ze kwamen daarbij in gewetensnood omdat ze geen hulp mochten verlenen aan de hongerende bevolking van rebellerend Biafra. Artsen van het Rode Kruis mochten namelijk volgens het eigen mandaat van het Rode Kruis alleen na toestemming van de Nigeriaanse regering in het rebellengebied opereren. En die toestemming kwam er niet.

De twee Franse artsen weigerden zich daarbij neer te leggen. Ze vonden het recht op hulp van mensen in nood belangrijker dan de belangen van de overheden. Ze keerden het Rode Kruis de rug toe en startten hun eigen organisatie. Médécins Sans Frontières (MSF). In het handvest van de nieuwe organisatie werd nadrukkelijk opgenomen dat MSF vrijheid eist in het geven van medische hulp, op grond van het principe dat ieder mens recht heeft op humanitaire hulp. Overigens heeft Kouchner zich uit onvrede over het functioneren van MSF later met een groep volgelingen afgesplitst en een nieuwe organisatie opgericht, Médécins du Monde.

Artsen zonder Grenzen zendt artsen en ander medisch personeel uit naar conflicthaarden in de wereld, aanvankelijk vooral de Derde Wereld. Met vaak journalisten in hun voetspoor, veel journalisten, want publiciteit genereert de broodnodige fondsen waar de organisatie op draait.

MSF was in het begin een kleine en zuiver Franse organisatie. Met de oprichting van organisaties in België (1980), Zwitserland (1980) en Nederland (1984) startte de internationalisering. De jaren daarna nam de groei een enorme vlucht en kregen ook landen als Groot-Brittannië, Duitsland en de Verenigde Staten hun eigen Artsen zonder Grenzen.

De expansie van Artsen zonder Grenzen houdt volgens Jacques de Milliano, medeoprichter en ex-directeur van de Nederlandse tak van de organisatie, regelrecht verband met de ontwikkingen die volgden op de val van de Berlijnse Muur in 1989. De teloorgang van het communistisch blok leidde, anders dan de meesten hadden verwacht, tot een toename van het aantal conflicten en brandhaarden in de wereld. En dus tot een toename van het werkterrein van Artsen zonder Grenzen.

De Nederlandse organisatie verkeerde in de eerste jaren van haar bestaan in betrekkelijke `pioniersfase', met amper 150 uitzendingen per jaar, zo herinnert De Milliano zich nog. Daarna volgde de profesionalisering. En in de jaren negentig steeg dit aantal uitzendingen naar 850, met een voorlopig hoogtepunt tijdens de Grote Meren-crisis in Afrika in 1996.

Naast directe medische hulp aan slachtoffers ontwikkelde Artsen zonder Grenzen zich meer en meer als een organisatie die politieke wantoestanden en mensenrechtenschendingen aan de kaak stelde. Maar dit leidde ook tot onvrede. Tijdens de crisis in het gebied van de Grote Meren werd scherpe kritiek gehoord op het functioneren van buitenlandse hulporganisaties, waaronder ook Artsen zonder Grenzen.

Evenmin als de politiek en de media wisten de hulporganisaties hoe te reageren op de nasleep van de genocide door Hutu-milities in op Tutsi's in Rwanda, zo luidde de kritiek van lokale autoriteiten en journalisten en erkenden uiteindelijk ook hulpverleners zelf. Enerzijds werden ook de moordenaars door de hulpverleners bijgestaan. Een tweede verwijt, structureler, was dat hulpverleners overdreven en ongegronde uitspraken gingen doen voor de inzameling van fondsen, omdat ze het zonder beelden van stervende vrouwen en kinderen moesten stellen.

Het streven om gehoord te worden wordt deels ingegeven door de noodzaak van publiciteit, zo zei Mark Bowden van Save the Children indertijd. Alle hulporganisaties streven naar een goed imago, want steeds meer hulporganisaties moeten concurreren om steeds minder fondsen en aandacht in de media.

Hij meende dat organisaties als Artsen zonder Grenzen bewust het element van advocacy, pleitbezorging, in hun takenpakket hadden opgenomen: wij verkeren op plaatsen waar anderen niet komen en moeten daarom het gesignaleerde onrecht aan de kaak stellen, luidt de stelling.

Met hun advocacy nemen de hulporganisaties een rol in het politieke krachtenspel ter plaatse op zich. De vraag is, zo werd indertijd gesteld, of ze daarvoor wel waren toegerust, en of ze bereid waren de verantwoordelijkheid te accepteren die bij die rol hoorde.