VROUWENHANDEL

Er zijn slechts schattingen over het aantal vrouwen dat gedwongen in de prostitutie werkt. Bij de Stichting tegen Vrouwenhandel (STV) melden zich jaarlijks ongeveer 200 slachtoffers aan. Dat wordt het topje van de ijsberg genoemd. Een IRT-rapport schatte eind 1997 het aantal Oost-Europese meisjes dat jaarlijks gedwongen wordt zich te prostitueren op 2.000. Ook Afrikaanse meisjes zijn vaak het slachtoffer van vrouwenhandel. De handelaren komen bijna altijd uit hetzelfde land of regio als de meisjes.

De dwang bestaat uit een fictieve schuld die de meisjes moeten terugbetalen en bedreigingen aan het adres van het meisje of de familie. Er gaat veel geld in om: tienduizenden guldens per meisje. Volgens de politie gaat het om geoliede criminele organisaties. De opsporing en vervolging blijven problematisch. De vervalste paspoorten zijn nauwelijks van echt te onderscheiden, de circuits en 06-nummers veranderen snel, net als de smokkelroutes en de plekken waar de meisjes te werk worden gesteld.

De slachtoffers doen slechts zelden aangifte. Ze zijn bang in elkaar geslagen te worden en hun inkomsten te verliezen. Bovendien vrezen ze na aangifte Nederland te worden uitgezet. Zonder aangiftes wordt in de regel geen onderzoek gedaan. Ook hebben lang niet alle korpsen evenveel aandacht voor het probleem. In een evaluatie concludeerde het team Limburg-Zuid: ,,Vrouwenhandel is een probleem waar niemand last van heeft. Beleidsmakers pretenderen regelmatig de bestrijding van vrouwenhandel hoog in het vaandel te hebben, doch in de praktijk wordt het ondergesneeuwd door andere prioriteiten.''