Van windvanen tot wandelstokken

Het leven van Nanne Ottema (1874-1955), notaris te Leewarden, stond geheel in het teken van ongebreidelde verzameldrift. Al tijdens zijn opleiding voor notaris ontwikkelde hij zich tot kenner van antiek. In 1900, toen hij in zijn vaders kantoor kwam werken, begon hij kunstvoorwerpen te kopen: Friese tegels, schilderijen, textiel en het bij de toenmalige elite populaire Chinese porselein. Erg selectief was Ottema niet. Hij voelde zich aangetrokken tot elk voorwerp uit het pre-industriële tijdperk. Samen met geestverwanten als de onderwijzer-avonturier Anne Tjibbes van der Meulen, wiens verzameling Indische volkskunst Ottema in 1910 overnam, koesterde hij een hang naar een vaag, onbestemd `vroeger', waarin de wereld nog authentiek en harmonieus was.

Toen Ottema conservator werd van het Fries Museum en het nieuwe museum het Princessehof, verhuisden zijn objecten van de chaos in zijn eigen huis naar de openbare ruimte van het museum. Ottema moest tot een ordening van zijn verzameling komen om deze interessant te maken voor een algemeen publiek. Hij koos voor een educatieve invalshoek: `ter lering van de bezoeker' werd elk voorwerp zo uitvoerig mogelijk gecatalogiseerd.

Intussen kocht Ottema door. Elke keer als iemand hem op een nieuw verzamelgenre wees stortte hij zich er fanatiek op en sloeg, na eerst vluchtig zijn licht over het onderwerp te hebben opgestoken, toe bij antiquairs in binnen- en buitenland, op markten en op boedelveilingen. Van voor de hand liggende verzamelobjecten als zilver en porselein kwam hij zo op sleutels, koekplanken, wandelstokken en windvanen. De collectie dijde naar alle kanten uit, maar thematische verdieping bleef uit. Evenmin ontwikkelde Ottema een echt kennersoog: naast de schaarse topstukken sleepte hij ook enorme hoeveelheden rommel zijn musea binnen.

De dubbeltentoonstelling `Nanne Ottema, een kleurrijk verzamelaar' tracht een overzicht te geven van de collecties, alsook een portret te schetsen van Ottema zelf. In het Princessehof zijn de Chinese keramiek en Van der Meulens `Indisch Museum' te vinden; in het Fries Museum staan onder andere kostuums, affiches en zilverwaren. Specialisten op diverse terreinen zijn gevraagd om kaf van koren te scheiden. Het resultaat is soms slaapverwekkend braaf. De leukste kamer van de tentoonstelling is de depotkamer bovenin het Fries Museum, waar in lompe stellingkasten de vreemdste voorwerpen lukraak door elkaar staan. Twee prachtige houten `tuinpoppen' van rond 1700 springen in het oog; het zijn een soort classy voorlopers van de tuinkabouters van vandaag. Echte pronkstukken zijn een paar ijzeren Middeleeuwse sloten.

De bezoeker blijft zitten met een prangende vraag: wat stak er achter deze koopgekte? Henk van Veens biografische schets van Ottema, waarmee de catalogus opent, geeft hier geen antwoord op. Van Veen distantiëert zich van biograaf J.J.Kalma, die meende dat Ottema door een mislukte schoolcarrière een levenslange geldingsdrang bleef voelen jegens zijn vader, de notaris. De gunstige omstandigheden die van Veen aanstipt – Ottema had tijd, geld en een groot maatschappelijk aanzien – verklaren nog niet zijn verzamelwoede. Ottema's persoonlijke documenten zijn grotendeels verbrand, excuseert Van Veen zich aan het begin van zijn stuk. Maar was het met meer fantasie en inlevingsvermogen niet mogelijk geweest om in ieder geval een theorie over het gedrag van deze fanaat te verzinnen?

`Nanne Ottema, een kleurrijk verzamelaar',

t/m 9 jan in het Fries Museum em Museum het Princessehof.

Open di t/m zo, 11-17 uur; toegang ƒ7,50.