Station

De `Opal' ging om 12.15 naar Boulogne en de `Saphir' om 12.48 naar Duinkerken. Ik zag ze allebei vertrekken. Op het perron stonden twee rijen spastische jongeren, en daarnaast vier houten bagagekarren met versleten koffers, krukken en jerrycans met heilig bronwater. Iedereen had de winkels leeggekocht, en overal zag je lichtgevende plastic Maria's, kleurenfoto's van Jezus aan het kruis – als je vanuit een bepaalde hoek keek deed Hij zijn ogen open – en marmeren grafstukjes, want ook de doden werden blij gemaakt. Pelgrimstreinen anno 1999 zijn niet meer de stinkende slierten ellende die Emile Zola in zijn roman Lourdes beschreef, het zijn meestal zilveren TGV's waar het leed netjes is toegedekt. Maar in de `Train Vert' naar Perpignan ruikt het nog ouderwets naar ziekte en lysol, in deze ambulancewagons voor de lammen en de doodzieken. Het is anders dan bij Zola, er zijn nu antibiotica, er is geen tbc meer, de patiënten zijn meestal weldoorvoed, maar de openheid zijn we ontwend. Hier is het even uitverkoop van al het lijden dat onze samenleving verbergt, en voor enkele dagen verliest het leed zijn eenzaamheid. Is dat de troost? Ik raak aan de praat met een oude vrouw in een rolstoel, doeken om het hoofd, een soort motorbril voor de ogen. Ze had anderhalf jaar gespaard, ze had genoten. ,,Ach jongen'', zegt ze, ,,je bent hier al even vlakbij de hemelpoort.''

Dan gaat de trein. Sommige patiënten zwaaien, anderen liggen te bidden. En de helpers en de verpleegsters lopen terug over het perron, met hun lege rolstoelen en brancards, opvallend vrolijk en jong opeens.