Pijnlijk, meer dan pijnlijk

Vrijwel niemand in China is aan de gevolgen van de Culturele Revolutie ontkomen. Bijna iedereen die ouder is dan vijfenveertig jaar was vervolger of slachtoffer van vervolging, of achtereenvolgens beide. Wanneer ik over de Culturele Revolutie begin, ontstaat meestal een pijnlijke stilte. Over het revolutionaire verleden wil men liever niet horen.

Toch kan niet alles wat is voorgevallen zo gemakkelijk worden vergeten. Met het noodlottige einde van de bekende Chinese schrijver Lao She in de zomer van 1966 weten de autoriteiten nog altijd niet goed raad. Destijds ging in Peking het gerucht dat hij na hardhandige ondervraging door rode gardisten zelfmoord had gepleegd. Maar het heeft lang geduurd voordat dit officieel werd bevestigd.

Na vele omzwervingen, waaronder drie jaar in New York, vestigde Lao She zich in 1950 in Peking. Op dat moment was hij een van China's meest gevierde schrijvers. Hij had verscheidene romans op zijn naam staan, waaronder De riksjarenner (1938), dat ook in Nederlandse vertaling is verschenen. Ook na 1950 bleef hij productief. Hij voltooide de roman Vier generaties onder één dak en schreef enkele toneelstukken.

Hij woonde in een bescheiden, traditioneel huis met een binnenplaats in een steeg niet ver van Wangfujing, de bekendste winkelstraat van Peking. In 1997 heeft het stadsbestuur het huis laten opknappen en als museum ingericht. Officieel heet het nu `Huis ter herdenking van Lao She'. Het adres is Feng-fu hutong, no. 19. Men kan het vinden door bij het gloednieuwe warenhuis `Shiji dasha' (Gebouw van de eeuw) in de richting van de Verboden Stad te lopen. De Feng-fu hutong is de eerste smalle straat aan de rechterhand.

Onlangs heb ik het Lao She-museum bezocht. In drie ruimtes zijn boeken, manuscripten, foto's en persoonlijke bezittingen geëxposeerd. Er zijn vitrines met berichten over de opvoering van zijn stukken in Taiwan, foto's van de verfilming van De riksjarenner, en vertalingen van zijn boeken in het Frans, Duits en Engels. Er is een foto van premier Zhou Enlai en Lao She temidden van acteurs die een toneelstuk van hem hebben opgevoerd.

Er hangen nog twee opmerkelijke foto's, een van Lao She met Mao Zedong, en een met Mao's aartsrivaal, president Liu Shaoqi, die tijdens de Culturele Revolutie in gevangenschap is overleden maar in 1980 postuum werd gerehabiliteerd. De twee foto's dateren uit 1960.

Ten slotte besteedt de tentoonstelling aandacht aan de omstandigheden waaronder Lao She om het leven is gekomen. Op een foto wordt de verbranding van kostuums en toneelrekwisieten van de Peking opera getoond. Op de achtergrond is de toegangspoort tot de Confucius-tempel zichtbaar. De Chinese toelichting vermeldt dat Lao She in de middag van de 23ste augustus 1966 met ongeveer dertig andere schrijvers en kunstenaars in staat van beschuldiging werd gesteld en door de rode gardisten naar de Confucius-tempel werd overgebracht. Hun werden borden omgehangen waarop hun misdaden werden aangeduid: `kapitalist', `reactionair', `contrarevolutionair'. Zij werden gedwongen vlak bij het vuur te knielen, waar zij werden geschopt en geslagen. Lao She bloedde over zijn gehele gezicht. Laat in de avond werd hij geboeid naar een andere plek gebracht, waar `de strijd' tegen hem werd voortgezet.

In de vroege ochtend van 24 augustus kon hij naar huis terugkeren. Diezelfde ochtend verliet hij zijn geliefde huis en ging hij naar een meer in het noordwesten van Peking (eveneens op een foto te zien) waar de zevenenzestigjarige Lao She zijn laatste dag beleefde. Tegen het vallen van de avond verdronk hij zich in het meer.

Er was één persoon in China die deze zelfmoord en het leed van talloze andere slachtoffers van de Culturele Revolutie had kunnen voorkomen en dat was voorzitter Mao. Maar over zijn verantwoordelijkheid zwijgen de Chinese historici. Aantasting van het boegbeeld van de communistische partij wordt nog altijd niet goedgekeurd.