Opsteker

DE NOBELPRIJS voor Gerard 't Hooft en Martinus Veltman is een mooie opsteker voor de bètawetenschappen in Nederland, in het bijzonder de natuurkunde. In een tijd van schrikbarend dalende studentenaantallen bij de harde exacte vakken is iedere voorbeeldrol welkom. Dat de theorie van beide laureaten esoterisch is en voor de leek nauwelijks te bevatten, is geen bezwaar. Mensen voelen zich aangetrokken tot het onbegrijpelijke, om het even of het de mysteries van de kosmos betreft of die van de microwereld van het allerkleinste.

Een breed maatschappelijk draagvlak voor steun aan fundamenteel, exploratief, risicovol onderzoek is van vitale betekenis voor onze samenleving. Allereerst heeft het verleggen van de grenzen van wat wij weten culturele waarde en bevredigt het de nieuwsgierigheid die de mens van nature eigen is. Maar ten minste zo belangrijk is dat talentvolle jonge onderzoekers die zich ophouden aan het front van de wetenschap zo de gedrevenheid, de vasthoudendheid en het relativeringsvermogen opdoen die later goed van pas komen wanneer ze voor bedrijven toegepast onderzoek doen.

De opmerking van Veltman dat de maatschappelijke betekenis van het nu bekroonde onderzoek nul is, is in dit licht bezien ongelukkig. Beter zou zijn te spreken van een vooralsnog afwezig zijn van praktische toepassingen van zijn theorie: er vloeien geen betere stofzuigers uit voort. Maar een kenniseconomie als de onze heeft direct economisch belang bij het aanwezig zijn van voldoende hoog opgeleide onderzoekers en in die zin is het werk van 't Hooft en Veltman wel degelijk van maatschappelijke betekenis. Het is niet voor niets dat minister Hermans (Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen) een lans brak voor het fundamentele onderzoek, al weigert hij helaas vooralsnog de financiële consequenties te aanvaarden.

DEZELFDE VELTMAN onderstreept dat het zijn natuurkundeleraar op de middelbare school is geweest die hem heeft geïnspireerd voor de studie natuurkunde te kiezen. Vergelijkbare opmerkingen vallen bij veel meer grote wetenschappers te beluisteren. Het is daarom treurig te constateren dat de academisch gevormde leraar op zijn retour is. Aan de universiteiten is de belangstelling voor het leraarsvak nihil en wanneer de grijze golf die het onderwijs nu domineert straks met pensioen is, zijn de onderzoekers in de dop overgeleverd aan docenten die geen enkele affiniteit hebben met wetenschap.

Op die manier kweek je geen belangstelling voor bètastudies. Het is de hoogste tijd dat de universiteiten zich gaan inspannen de banden met het middelbaar onderwijs aan te halen. Ze zouden bijvoorbeeld docenten in de gelegenheid kunnen stellen in het kader van opfrisverlof – dat de minister mogelijk moet maken – weer eens aan echt wetenschappelijk onderzoek te ruiken. Ook zouden de universiteiten, op grotere schaal dan nu het geval is, de docent terzijde kunnen staan om de betere leerling iets extra's te bieden. Onderzoekjes met geavanceerde apparatuur in een echt laboratorium zijn zeer motiverend. Hetzelfde geldt voor masterclasses over uitdagende onderwerpen – wie weet met 't Hooft of Veltman als docent.