Om walgelijker verderf te voorkomen

Met de legalisering en regulering van de exploitatie van vrijwillige prostitutie lijkt de overheid een nieuwe weg in te slaan. Ze kan zo de branche controleren, excessen bestrijden en overlast beperken. Maar is deze aanpak wel zo nieuw?

DOOR DE EEUWEN HEEN is er van overheidswege getracht de prostitutie beheersbaar te maken of te houden. Afhankelijk van de heersende zedelijke moraal werd naar oplossingen gezocht.

In de Middeleeuwen werd prostitutie niet al te zeer vanuit een moralistisch standpunt beschouwd. Zowel door het kerkelijke als het wereldlijke gezag werd het als een oneerlijk (letterlijk: zonder eer), maar ook als een onmisbaar verschijnsel gezien. De kerkvader Thomas van Aquino vergeleek de prostitutie met een mestvaalt waar een paleis niet buiten kan als men niet wil dat het hele paleis gaat stinken. Veel Hollandse steden tolereerden prostitutie om de eerbare bewoonsters te behoeden voor `vrouwenvercraftinge en maechdenschenisse'.

Prostitutie werd gereguleerd; er werden voorwaarden aan gesteld. Zo mocht de prostituee niet getrouwd zijn, moest zij zich houden aan kledingvoorschriften waarmee zij zich onderscheidde van eerbare vrouwen, was het voor getrouwde mannen en joden niet geoorloofd prostituees te bezoeken en was prostitutie maar op bepaalde plekken toegestaan. In Amsterdam was het alleen aan de schout en zijn dienaren om in de Pijl- en Halsteeg (de tegenwoordige Damstraat) hoerhuizen te houden. Vrouwen die zich niet wilden onderwerpen aan de regels van het stadsbestuur, oefenden hun beroep elders illegaal uit. Maar werden zij daar betrapt, dan werden ze met een troep `gemeene vrouwen' afgehaald en openlijk en onder trommelslag en fluiten naar de stegen gebracht. (*1)

Aan de betrekkelijk tolerante houding tegenover prostitutie kwam een einde toen tijdens de Opstand steeds meer Hollandse steden het katholicisme verlieten en de kant van Willem van Oranje en de hervorming kozen. In de zestiende en zeventiende eeuw was de kerkelijke invloed op het overheidsbeleid groot. Wat door de kerk werd gedefinieerd als zonde, werd door de overheid vaak als misdrijf benoemd en vervolgd; het tolereren van zonden zou immers Gods wraak over het land kunnen afroepen. Er werden ordonnanties uitgevaardigd waarin bordeelhouders en koppelaars werden bedreigd met het schavot, geseling of verbanning. Ondanks het verbod en de soms harde repressie bloeide de prostitutie in de welvarende wereldhandelsstad Amsterdam.

Het overheidsbeleid had voornamelijk invloed op de manier waarop prostitutie zich manifesteerde. Door de vervolgingen in de zeventiende eeuw bleef ze kleinschalig en verspreid over de hele stad. Prostituees werkten voor hoerwaardinnen, vaak ex-prostituees, in ruil voor kost en inwoning en afbetaling van schulden die ze hadden gemaakt voor het aanschaffen van werkkleding en opsmuk. In de avonduren ging de hoerwaardin met de twee à drie meisjes die voor haar werkten naar de musico of het speelhuis om klanten op te pikken die zij na sluitingstijd meenamen naar het hoerhuis. Hoerwaardinnen die geen overlast veroorzaakten, konden erop rekenen dat zij door het stadsbestuur redelijk met rust werden gelaten; zij werden gedoogd.

In de achttiende eeuw werd de houding van de overheid tegenover de prostitutie soepeler. Het ging de stadsbesturen vooral om de handhaving van de openbare orde en zedelijkheid. Straatprostituees werden opgepakt, maar de speelhuizen ongemoeid gelaten. Door dit gedoogbeleid werd het voor de eigenaren van de danszalen aantrekkelijk om te investeren in de inrichting en uitbreiding van hun bedrijf. De meisjes die tot die tijd alleen de huizen bezochten om klanten op te pikken, werden intern geplaatst. De speelhuizen ontwikkelden zich tot gesloten, luxe bordelen met soms wel dertig meisjes in dienst. Zo liepen er niet langer prostituees met dronken klanten 's nachts over straat. Het prostitutiebedrijf speelde zich af in de `stille huizen'.

In de Napoleontische tijd had de gezondheid van manschappen vaak een hogere prioriteit dan de zedelijkheid. Om te voorkomen dat soldaten zouden worden geveld door de venusziekte (syfilis) stelde Napoleon het reglementeringsstelsel in. Prostituees werden gedwongen zich tweemaal per week op geslachtsziektes te laten controleren. De bordeelbazen waren, door de grote investeringen die zij hadden gedaan in hun bedrijven, genoodzaakt om aan de voorschriften te voldoen. Het stelsel paste goed in de tijdgeest van het begin van de negentiende eeuw. Prostitutie werd gezien als een noodzakelijk kwaad – seksuele onthouding bij mannen zou leiden tot melancholie en gebrekkige levenslust. Voor ongehuwde mannen was het dus noodzakelijk dat ,,een aantal vrouwen zich opoffert om de rest van de vrouwen te sparen en zo verderf van nog walgelijker aard te voorkomen''. (*2)

De registratie en de keuringen die ook na de Franse tijd in veel Nederlandse steden in zwang bleven, zorgden voor een tweedeling. Enerzijds waren er de grote bordelen waar volgens de politievoorschriften werd gewerkt, anderzijds ontstonden clandestiene vormen van prostitutie met vrouwen die zich niet aan het regime van het bordeel wilden onderwerpen. De bordeeleigenaren moesten daarom steeds vaker in het buitenland op zoek naar meisjes. Zo ontstond aan het eind van de negentiende eeuw een internationale vrouwenhandel. Als aanklacht tegen de `handel in blanke slavinnen', de onmenselijke behandeling van de meisjes en de onzedelijkheid in het algemeen kwamen er overal in Europa antiprostitutiebewegingen.

In Nederland richtte ds. Pierson de Nederlandse Vereeniging tegen de Prostitutie op, die voornamelijk ageerde tegen de regering omdat zij de `gewettigde ontucht' toestond. De Middernachtzending richtte zich op de prostituant die zij door middel van posten bij bordelen trachtte te weerhouden van zijn voorgenomen bezoek. Mede dankzij de inspanningen van deze bewegingen, maar ook omdat het paste in de mentaliteit en strenge zedelijke moraal van die tijd, werd in 1911 het bordeelverbod (WvS. art.250bis) aangenomen.

Het prostitutiebedrijf liet zich niet uitbannen door een wetsartikel. Het bedrijf werd weer kleinschalig en verspreidde zich. Achter een façade van fatsoenlijke bedrijven als massagesalons, kunsthandels en tabakswinkels verschansten zich clandestiene huizen van ontucht. De zedenpolitie had al snel door dat zeker in oude prostitutiewijken, zoals rond het Oude Kerkplein in Amsterdam, de prostitutie toch niet zou verdwijnen en liet de vrouwen werken zolang ze dit niet te opvallend deden. Zij mochten niet in de deuropening staan, maar wel met de gordijnen op een heel klein kiertje achter het raam zitten om met een klein tikje op de ruit een eventuele klant op hun bestaan te attenderen.

Het gedogen was begonnen. Naarmate de jaren verstreken mochten de gordijnen steeds verder open. De jaren zestig en vooral zeventig hebben een grote invloed gehad op de prostitutie. De minder strenge seksuele moraal zorgde voor een steeds openlijker gedoogbeleid, waardoor de clandestiene huizen konden konden uitgroeien tot grote, luxe bordelen.

Overheidsbeleid volgt de zedelijke moraal en de prostitutie neemt die vorm aan waarin zij het gezien de moraal en het beleid het best kan gedijen. In tijden van verbod is de prostitutie een kleinschalig, over de stad verspreid en meestal door vrouwen gerund bedrijf. In tijden van openlijk gedogen is het grootschalig, vaak geconcentreerd en door mannen bestierd. In tijden van reglementering is er een tweedeling; enerzijds zijn er door de overheid gecontroleerde grote bordelen, anderzijds bestaat er een clandestien circuit waarin degenen werken die niet aan de regels kunnen of willen voldoen.

*1. J.F. van Slobbe, Bijdragen tot de geschiedenis en de bestrijding der prostitutie in Amsterdam (Amsterdam, 1937) p. 17

*2. Diet Sijmons, 'Een noodzakelijk kwaad, maar voor wie? Prostitutie in de tweede helft van de negentiende eeuw' in : Jaarboek voor vrouwengeschiedenis p. 65 - 110 aldaar, p.72

Marieke Van Doorninck schreef eerder samen met Margot Jongedijk het boek `In het Leven' over vier eeuwen prostitutie in Nederland. Historisch Museum Apeldoorn, 1997.