Matrozen

Een aantal matrozen deed niet mee aan de werkzaamheden maar stond langs de borstwering of in een geschutspoort op de uitkijk en nauwelijks was de boot met vrouwen binnen oorbereik of zij openden een kanonnade van woorden.

`Dag lekkere moten, komen jullie daar weer. Zullen we samen weer eens een potje pardoenzen?'

`Dag lekkere schatten, is jullie daarginds de tarrik niet gans verstonkeld?'

`Dat zullen jullie aanstonds wel zien. Hier, jij met die blostere marammen, die bennen van maan.'

`Dat bennen besten om op te froetsen. Je zal ze hebben jonge breur, maar denk ter om, geen porkie's jaai.'

`Nee, lampie's jaai.'

Belcampo, Liefde's verbijstering. Querido, 1953