Erfenissen van het Karolingische rijk in Paderborn

Letterlijk het hoogtepunt van twee tentoonstellingen over kunst en cultuur in de tijd van Karel de Grote, is de sarcofaag waarvan wordt aangenomen dat de keizer er in 814 zijn laatste rustplaats in vond. Het marmeren gevaarte is alle trappen van het aartsbisschoppelijk museum van Paderborn opgezeuld en prijkt bovenin het gebouw als eindpunt en apotheose van de expositie. De sarcofaag, voorzien van diepe reliëfsculpturen die het mythologische verhaal van de roof van Proserpina illustreren, is kort na het jaar 200 in Rome gemaakt. Het is geen toeval dat daarmee een laat-antiek voorwerp tot blikvanger van de tentoonstelling is gemaakt. De bewondering voor de oudheid, en de manier waarop die tot uiting kwam in de Karolingische beeldende kunst, architectuur en literatuur, is een thema dat in de exposities telkens terugkomt. Het illustreert Karels streven naar een herleving van het Romeinse Rijk, in omvang, macht en cultuur.

De Pfalz van Paderborn was destijds een van de machtscentra van Karels rijk. De directe aanleiding van de manifestatie die er nu wordt gehouden, is een historische ontmoeting 1200 jaar geleden. In 799 maakte paus Leo III in Paderborn zijn opwachting bij Karel. De positie van de kerkvorst was wankel en zijn vijanden hadden hem in Rome zelfs fysiek belaagd. Leo zocht daarom steun bij de machtige koning der Franken. Als tegenprestatie zou de paus hem later, op kerstavond 800, tot keizer kronen.

In het museum in de Paderbornse keizerpfalz is een presentatie ingericht die de veranderingen in het Westfalen van omstreeks 800 in beeld brengt. Zwaarden en de schedels die ermee zijn gekliefd, vormen de akelige getuigen van de strijd tussen Karels Franken en de Saksen. Maar aan de hand van bodemvondsten, grafgeschenken, gebruiksvoorwerpen en sieraden is ook aanschouwelijk gemaakt hoe de overwinning van de eersten uiteindelijk vrede en welvaart in het gebied bracht. Karels vernieuwingen betroffen in de eerste plaats de kerstening van de bevolking. Maar zijn ambities reikten verder. Naar het voorbeeld van zijn Romeinse voorgangers streefde hij een culturele revolutie na waarin de wetenschap een essentiële rol speelde. De Latijnse taal werd gezuiverd van vulgarismen, het schrift werd vereenvoudigd en het boekenbestand verbeterd.

De ongekende aandacht voor het schrijven en kopiëren van boeken en voor alles wat daarmee samenhangt – illuminatie, bindwerk, banddecoratie – is misschien wel het aantrekkelijkste aspect van de Karolingische cultuur. Resultaten daarvan zijn, samen met een keur aan ivoren reliëfs, kleine sculpturen, architectuurfragmenten, edelsmeedwerk en textiel, bijeengebracht in de krap ingerichte, maar zeldzaam mooie tentoonstelling in het aartsbisschoppelijk museum van Paderborn. In een reeks schitterend verzorgde geïllumineerde handschriften is de ontwikkeling te volgen van de schematische, abstraherende stijl in boeken die met Britse en Ierse missionarissen meekwamen, tot de natuurlijker, maar door een raadselachtig nerveuze penseelvoerig gekenmerkte weergave in het miniatuur van de vier evangelisten in een landschap in het wereldberoemde 'Schatkamer-evangeliarium' (Aken, vroege negende eeuw).

Een ander topstuk dat aan Karels hof tot stand kwam, is het zogenaamde Lorscher Evangeliarium. In de vijftiende eeuw is het handschrift uit elkaar gehaald, maar de delen die nu worden bewaard in Rome, Boekarest en Londen zijn voor de gelegenheid weer bijeengebracht. Elk van de vier evangeliën wordt voorafgegaan door een evangelistenportret, waarvoor de illuminatoren duidelijk te rade zijn gegaan bij de antieken. Johannes bijvoorbeeld, ziet eruit als een antieke retoricus of filosoof, gekleed in een draperie die is ontleend aan de sculptuur van de oudheid. De Karolingische kunstenaar verraadt zich vooral door een voorliefde voor decoratieve details en een gebrekkige weergave van het perspectief. Dezelfde kenmerken vertoont de uit ivoor gesneden band van het boek: er is zelfs wel verondersteld dat een van de compartimenten waar die uit bestaat, uit de laat-antieke tijd dateert en de andere in de negende eeuw naar dat voorbeeld zijn gesneden. De expositie illustreert het hergebruik van werken uit de bewonderde late oudheid ook aan de hand van Romeins en Byzantijns ivoorsnijwerk – en natuurlijk met de grafkist van de keizer die zich tot in de dood het liefst een Romein waande.

Tentoonstellingen: 799 – Kunst und Kultur der Karolingerzeit; Karl der Grosse und Papst Leo III. Museum in der Kaiserpfalz (Ikenberg 2) en Erzbisschöfliches Diözesanmuseum (Markt 17), Paderborn. Open: di-zo 9-18u, wo tot 20u. T/m 1/11. Publicaties (Uitg. Philipp von Zabern): Catalogus, 2 delen: DM 98; Essay-deel: DM 80 (samen: DM 148).