Een actuele Nobelprijs

Landen die in de jaren negentig de theorie van Nobelprijswinnaar Robert Mundell niet toepasten hebben het geweten. Twee valutacrises en een monetaire unie hebben inmiddels geleerd wat wijsheid is.

De peetvader van de euro werd Robert Mundell gisteren al snel genoemd. Dat is, naast de Nobelprijs voor de economie die hem gisteren werd toegekend, iets te veel eer voor de Canadese econoom. Als één enkele persoon de eer toekomt, moet het de voormalige Luxemburgse premier Pierre Werner zijn, want de euro is in eerste instantie een politiek en pas daarna een economisch concept geweest. Werner was er al mee bezig nog vóór Mundell in 1969 het idee opperde in Europa een gemeenschappelijke munt in te voeren, die Mundell destijds de `europa' noemde.

De eer voor de wetenschappelijke onderbouwing van wat uiteindelijk de euro is geworden komt Mundell daarentegen wel toe. De zogenoemde a-symmetrische schokken, de onvoldoende flexibele arbeidsmarkt in Europa, de vraag of Europa wel een `optimaal valutagebied' is, en zelfs het stabiliteitspact: wie de discussie in de jaren negentig over het al dan niet starten van de Economische en Monetaire Unie heeft gevolgd, komt tal van ideeën tegen die stammen uit het werk dat Mundell al begin jaren zestig verrichtte.

De kern van Mundells theorie, die overigens niet kan worden gezien zonder het aanvullende werk van de in 1976 overleden econoom Marcus Flemming, is de vraag welk beleid effectief is bij welk wisselkoerssysteem. Bij een zwevende wisselkoers is, kort gezegd, het rentebeleid van de centrale bank het instrument waarmee moet worden gestreefd naar economische stabiliteit. Maar bij een vaste of gekoppelde wisselkoers valt de taak om de economie te stabiliseren toe aan het begrotingsbeleid.

De toepassing van deze denkbeelden is terug te vinden in de actualiteit van de laatste tien jaar. De vergeefse poging van Aziatische landen om een vaste koppeling van de eigen munt aan de dollar te handhaven, die eindigde in een grootscheepse valutacrisis, is er een voorbeeld van. Het dramatische einde van het Europese Monetaire Stelsel in 1992-1993 ook. Het gebruik van het rente-instrument voor zowel de noden van de binnenlandse economie als voor het nastreven van een wisselkoersdoel is strijdig met Mundells uitgangspunten. Dat bleek ook in de praktijk.

In de architectuur van de Economische en Monetaire Unie is nu het beginsel opgenomen dat de begrotingen van de deelnemende landen structureel in balans zijn. In tijden van laagconjunctuur mag het tekort oplopen, bij hoogconjunctuur moet er juist een overschot ontstaan. Zo werken de begrotingen als `automatische stabilisatoren', en ook dat is conform Mundells uitgangspunten.

Wat vooral opvalt is dat Mundells denkbeelden in de jaren zestig vooruitliepen op een toestand in de internationale economie die zich pas later daadwerkelijk zou voordoen. Onder het stelsel van Bretton Woods was destijds in het grootste deel van de geïndustrialiseerde wereld geen sprake van zwevende wisselkoersen, en de invloed van het internationale kapitaalverkeer die Mundells werk vooronderstelt zou zich pas in de loop van de jaren tachtig grootscheeps doen voelen.

In die jaren tachtig ligt overigens ook een van de meer kwestieuze episodes van Mundells loopbaan: zijn rol als adviseur van de Amerikaanse president Reagan en het bijbehorende beleid van Reaganomics. Het sterk verlagen van de belastingen om de economie op te jagen resulteerde uiteindelijk in een explosie van de wisselkoers van de dollar en een gierend tekort op zowel de begroting als de Amerikaanse betalingsbalans.

Het zij Mundell, in het jaar dat Europa is gestart met de monetaire unie, vergeven. De Zweedse Koninklijke Academie voor Wetenschappen heeft van tijd tot tijd nu eenmaal een voorkeur voor de actualiteit van de theorieën van de econoom die zij met de Nobelprijs beloont. Het stelt het publiek in staat zich iets voor te stellen bij wat anders te abstract zou kunnen blijken.

Twee jaar geleden waren het twee grondleggers van de moderne theorie achter financiële derivaten, Robert Merton en Myron Scholes, die de prijs ontvingen. De handel in derivaten (opties, termijncontracten, ruilcontracten en alles wat daarvan is afgeleid) had in de jaren negentig een revolutionaire groei doorgemaakt. Een jaar later moest het beleggingsfonds Long Term Capital Management, waarin Merton en Scholes hun theorieën grootschalig toepasten, met een infuus van miljarden dollars worden gered van de ondergang.