De werkelijkheid heeft veel gezichten

Het ontsluieren van de werkelijkheid en de resultaten van dat proces kenbaar maken, is de eerste opdracht aan wetenschappers. Maar niet alleen zij stuiten daarbij op grenzen. Ook politici en beleidsmakers voelen zich niet altijd geroepen de kenbare waarheid te verkondigen, uit angst voor maatschappelijke schade. Toch moet gezegd en geschreven blijven worden wat werkelijk wordt gedacht, vindt Karel van Wolferen.

Wetenschappers houden zich bezig met het ontsluieren van de werkelijkheid en worden geacht hun bevindingen bekend te maken. Wij gaan ervan uit dat dit een goede zaak is: hoe meer mensen over de werkelijkheid weten, hoe beter.

Natuurlijk moet de natuurkundige ons vertellen wat hij weet van alles om ons heen. Hij mag daarmee wachten totdat hij zekerder is van zijn zaak, en hij heeft misschien zwijgplicht wegens een contract met bedrijven of overheden, maar als hij ons bewust misleidt door vervalsing van zijn onderzoeksresultaten dan heeft hij een verboden grens overschreden.

Bij serieuze redacties, op de universiteit en in andere openbare kringen waar ideeën belangrijk worden gevonden, merkt men geen onenigheid over het uitgangspunt dat de taak van de natuurkundige – het ontsluieren van de werkelijkheid en het waarheidsgetrouw weergeven van zijn ontdekkingen – ook is weggelegd voor de psycholoog, de socioloog, de politieke wetenschapper en de econoom.

Maar is dat wel zo vanzelfsprekend?

We kunnen meteen al een geval bedenken waarin een klinische psycholoog besluit om een patiënt iets op de mouw te spelden uit vrees dat de waarheid deze patiënt ernstige psychische schade zou berokkenen. Dat neemt weer niet weg dat we van hem verwachten dat hij over niet-individuele gevallen, en staande voor het grote publiek, zulke leugentjes niet verkoopt. Echter, in het geval van diegenen die zich met de politieke en economische werkelijkheid bezighouden, staat de ethische wenselijkheid om altijd de kenbare waarheid te verkondigen niet onomstotelijk vast.

Daar zijn de grenzen.

Als de natuurkundige de kern van het wezen der natuur te pakken heeft, dan trekt de natuur zich daar niets van aan. Maar met de gemeenschap is dat anders. Wanneer een heel griezelig aspect van de economie of het politieke stelsel algemene bekendheid krijgt, en geloofd zou worden, dan zou dit ernstige maatschappelijke schade kunnen opleveren.

Ik kom uit een land waar er nauwelijks aan wordt getwijfeld dat het verhullen van de kenbare waarheid in veel gevallen de enige verantwoordelijke handelwijze is, zeker ook voor sociale, politieke en economische wetenschappers. Voor ongeveer driekwart van de afgelopen 37 jaar heb ik in Japan gewoond. En een van de conceptuele geschenken waarmee ik ben teruggekomen, is een terminologie die het ons een stuk makkelijker maakt om over dit soort zaken te spreken. De Japanners hebben zichzelf, en ook ons, een gunst bewezen met een handige dichotomie: tatemae en honne.

Tatemae heeft een reeks van betekenissen: de façade, officiële werkelijkheid, de dingen zoals ze behoren te zijn, geveinsde beweegredenen, enz, terwijl honne een reeks van tegenovergestelden weergeeft: de substantiële werkelijkheid, verborgen beweegredenen, eerlijke ontboezeming. Tatemae is de officiële wereld zoals deze te vinden is in kranten en commentaar van mensen die de dienst uitmaken bij overheid en bedrijfsleven. Tatemae is vooral ook het beeld van de wereld zoals deze volgens algemene opinie behoort te zijn. Het is een consistent en redelijk geloofwaardig geheel. Je kunt een leven lang in tatemae-conditie vertoeven zonder dat dit je emotionele balans verstoort. Honne, de echte werkelijkheid, het wezenlijke gedoe van machtigen en machtsdienaren is de praktijk die men vaak eerder aanvoelt dan onder woorden kan brengen.

De kloof tussen honne en tatemae is groot en permanent. Pogingen om deze te dichten worden bijna nooit in dank afgenomen. Blijf je daar, ondanks ontmoediging van je omgeving mee doorgaan, dan is de kans groot dat dit je een reputatie van onvolwassenheid zal opleveren. In massaverband verwoed doorgaan met ontsluiering van de substantiële werkelijkheid zou grote ongelukken veroorzaken, ontstellende verwarring scheppen en allerlei door de gemeenschap gekoesterde instellingen zouden erdoor in elkaar storten.

Ik noem de meest in het oog lopende voorbeelden van tatemae en honne: Japan heeft een parlement, een kabinet en verkiezingen, maar deze hebben praktisch niets te maken met de werkelijke regering van het land. Het heeft officieel een kapitalistisch bestel, met toezichthouders, gescheiden openbare en private sectoren en regels voor gelijke kansen. In werkelijkheid zijn de openbare en private sectoren niet van elkaar te scheiden, en bestaan ze dus eigenlijk allebei niet, en in werkelijkheid hangt het economisch handelen aan elkaar van informele en buitenwettige verhoudingen en transacties. Systematische bevoorrechting en een fenomeen dat tegenwoordig met crony kapitalisme wordt aangeduid, vieren hoogtij. Het zijn geen incidentele gevallen die voor reparatie in aanmerking komen. De kloof tussen tatemae en honne is systematisch, het zit er ingebakken.

Als een denkbeeldige hervormingsgezinde en naïeve regering de officiële regels van het Japanse politieke en economische stelsel zou gaan toepassen, dan zou dat binnen de kortste keren de ineenstorting van de Japanse financiële en industriële stelsels tot gevolg hebben. Zo'n opschudding zou een tsunami – een vloedgolf – voortbrengen, die ongetwijfeld ook Wall Street en de Europese financiële centra zou overspoelen. Dit willen we niet, dus houden we het voorlopig liever bij de Japanse tatemae. Dat doet Washington dan ook gretig. Of liever, de lieden die daar de dienst uitmaken zijn door de Japanse situatie zo in de war geraakt dat terwijl ze de Tokiose functionarissen steeds op hun nek zitten om meer transparantie te bewerkstelligen, en hun financiële stelsel naar het Anglo-Amerikaanse model te herscheppen, ze tegelijkertijd volop signalen geven aan hun Japanse collega's om toch alsjeblieft dezelfde te blijven, want stel je voor dat de tweede grootste industriemacht ter wereld echt iets ergs en onvoorzienbaars zou overkomen.

Nu we toch de sprong over de Stille Oceaan hebben genomen, laat ik meteen een Amerikaans voorbeeld van ons onderwerp beetpakken, dat overigens nog met het voorgaande te maken heeft: indien in brede kring bekend zou zijn hoezeer de economische positie van de VS afhankelijk is geworden van het gigantische Japanse dollarbezit, dan zou dat waarschijnlijk verschrikkelijke gevolgen hebben. Op economisch gebied is makkelijker te demonstreren dat de ethische wenselijkheid van het ontsluieren van de politieke en economische werkelijkheid geen uitgemaakte zaak is. Hoe groter het aandeel in deze werkelijkheid van de zogeheten `papieren economie'– de economie van aandelen, valutahandelaren, portefeuille-investeringen en derivaten – hoe meer de economische werkelijkheid bepaald wordt door wat de deelnemers denken hoe die werkelijkheid er uit ziet. Daarom houdt Greenspan zijn mond potdicht, en als hij zich zorgen maakt, dan drukt hij zich hoogstens uit in orakeltaal. Als iemand achter de werkelijkheid van de financiële kanten van een politieke economie wil komen, dan schiet hij vrijwel nooit iets op met het lezen van interviews met desbetreffende hoge functionarissen.

Vooral de afgelopen jaren, en in het bijzonder in verband met de Aziatische crisis, wordt nu wel algemeen aangenomen dat het psychologische element een doorslaggevende rol kan spelen. Stel: een neutrale buitenstaander, iemand die niet deel uitmaakt van het gegons van opinies, speculaties, en theorieën over de Nieuwe Economie, of iets van dien aard, maar iemand die een belangrijk euvel in het systeem heeft ontdekt dat aan anderen voorbij is gegaan. Is het ethisch verantwoord om een makkelijk bewijsbare tekortkoming rond te gaan bazuinen wanneer dat de ineenstorting van het vertrouwen van investeerders zou veroorzaken?

In een functionerende democratie waar een doorlopende discussie over belangrijke aangelegenheden plaatsvindt, is het moeilijker om voorbeelden te vinden die mijn stelling illustreren dan in Aziatische landen. Hoe meer een publiek weet, en hoe meer een publiek blijft zeuren over politieke aangelegenheden, des te minder schade een in brede kring aanvaarde onthulling van een niet vermoede werkelijkheid oplevert. Er zijn echter gebieden waar geen discussie over de werkelijkheid wordt geduld.

Probeer maar bij een Amerikaanse intellectueel de Amerikaanse grondwet aan te snijden, en te opperen dat wat een aantal 18de-eeuwers in Philadelphia bekokstoofden mogelijk niet meer een adequate leidraad vormt voor de huidige Amerikaanse politieke werkelijkheid – in nogal wat opzichten een disfunctionele werkelijkheid. De vraag is niet of dit document toch niet nog de best denkbare grondwet is voor de VS, maar waar het om gaat is de voorspelbare reactie op enige kritiek op zijn feitelijke functie. Het kan niet ter discussie gesteld worden. De Amerikaanse grondwet functioneert als de Koran. Eerder dit jaar bogen zowel voorstanders als tegenstanders van de impeachment van Clinton zich als schriftgeleerden over deze heiligheid, en produceerden ladingen van nieuwe schriftgeleerdheid.

Historische mythen zijn waarschijnlijk altijd nodig ter ondersteuning van nationale hoop. Gevoelig gemaakt door talloze tatemae-situaties ben ik gaan opletten op wat voor manier Europeanen en Amerikanen zichzelf en elkaar stelselmatig voor de gek houden, en in hoeverre een eind aan zulke voor-de-gek-houderij noemenswaardige sociale en economische schade zou kunnen aanrichten. De voorlopige slotsom is dat politieke mythologie niet geheel kan worden uitgebannen. Politieke stelsels kunnen zonder niet functioneren. De vraag blijft in hoeverre wij met ontsluiering moeten doorgaan.

Heel ver, maar er zijn grenzen.

Machthebbers weten dat vaak heel goed. In de Britse Archieven is helemaal niets te vinden over het Britse inlichtingenwerk in de Ierse Republiek tijdens de Tweede Wereldoorlog, ook geen briefje dat het er allemaal is uitgelicht. Om met George Orwell te spreken: `it is down the memory hole'. Bestaande politieke krachten zouden met de waarheid een te groot gevaar opleveren voor familieleden in Ierland. Amerikanen kunnen wijzen op president Johnson, die gebood dat alles wat afweek van de bevindingen van de Warren Commissie over het onderzoek naar de moord op Kennedy, geen reden kon zijn om de zaak opnieuw te openen. Filosofen hebben er natuurlijk ook bij stilgestaan. Bijvoorbeeld Nietzsche, die de socratische onderneming van een onophoudelijk onderzoek naar waarheid afwees. Voor hem was historische waarheid datgene wat een land sterk maakte.

Een denker die in de VS als politiek filosoof opviel in een tijd van grauwe politieke wetenschap die men probeerde met een meetlatje te bedrijven, was Leo Strauss. Een omstreden persoon. In het bijzonder om wat hij concludeerde uit zijn diepgaande studie van klassieke denkers betreffende de relatie tussen het zoeken naar waarheid en de maatschappij. Strauss zegt dat wetenschap en filosofie, de meest sublieme activiteit van de mens, erop gericht is om opinie over `alle dingen' te vervangen door kennis over `alle dingen'. Maar opinie is een essentieel onderdeel van de gemeenschap. Wetenschap en filosofie vormen daarom een potentieel gevaar voor de gemeenschap doordat zij datgeen waarmee de gemeenschap ademt, ondermijnen.

De kleine minderheid van filosofen en wetenschappers moeten de opinie waarop de gemeenschap rust respecteren, maar dat is iets heel anders dan deze als waar te accepteren. Filosofen en wetenschappers die dit begrijpen neigen ernaar om zo te schrijven dat zij hun waarheid aan de weinigen kunnen meedelen zonder het geloof van de velen in de opinies van de gemeenschap in gevaar te brengen. Er is daarom een esoterische component in hun leer die alleen duidelijk is voor zeer goed getrainde en zeer zorgvuldige lezers na lange en geconcentreerde studie.

Een elitistische benadering, om het zachtjes uit te drukken. In de VS waar politiek denken normaliter is gebaseerd op het axioma dat de mens een rationeel wezen is, en op rationele wijze zijn regeringen en staatsinrichtingen kiest, was zo'n benadering natuurlijk moeilijk te aanvaarden, en Strauss heeft behoorlijk wat naar zijn hoofd gekregen. Men hoeft zijn regel over het esoterische in alle oude politieke filosofie niet helemaal te slikken om te zien dat hij iets essentieels op het spoor was. En men kan er niet omheen dat er waarschijnlijk geen andere politiek filosoof is geweest die zich zo intens met zoveel klassieke politieke denkers heeft beziggehouden als Strauss.

Het feit dat we over het algemeen genomen geen redelijke mensen zijn (in de zin dat we te allen tijde de werkelijkheid met een maximum aan redelijkheid bekijken), is tegelijkertijd de ethische redding van de onthuller. Want de werkelijkheid is zo vaak onwelkom, oncomfortabel, of onaanvaardbaar dat de kansen dat de onthuller in brede kring geloofd wordt zeer gering zijn. We boffen dus. De gemeenschap loopt nauwelijks gevaar door de ontsluiering van een systematisch defect, want we worden toch niet geloofd.

Ik zeg `we', want ik maak dit zelf al ongeveer 15 jaar mee. Ik beweer dat Japan geen regering heeft in de gebruikelijke zin van het woord. Geen kern van mensen van wie in laatste instantie verwacht wordt dat ze beslissen over datgene waarover regeringen normaal zeggenschap hebben – hoe alles verder moet. Er is geen centrum van politieke aanspreekbaarheid. Ik heb vele jaren naar tegengesteld bewijsmateriaal gezocht, en dat niet gevonden. Wat ik zeg over de regeringloosheid van Japan staart iedereen in het gezicht zodra men de zaak zorgvuldig gaat bekijken. Maar terwijl een en ander van wat ik over Japan heb geschreven wel enigszins is doorgedrongen, verspreidt de conclusie dat Japan geen regering heeft, zich niet verder.

Het is diplomatiek natuurlijk onaanvaardbaar. En dat is maar goed ook, want als iedereen ervan uitging dat Japan politiek koploos is, dan zou het een internationale politieke en economische janboel worden. Nederland kan best nog heel veel verdragen wat betreft het afbreken van tatemae en een doorstoten naar het honne.

Maar zijn hier ook geen grenzen?

Je zou kunnen oproepen wat je juist wil vermijden, door op de gevaren te wijzen die de grote influx van immigranten met zich meebrengt. Een deel integreert, maar waarschijnlijk meer dan de helft heeft problemen die met elke generatie groter worden, omdat hun eigen cultuur verdwijnt en er geen maatschappelijke binding voor in de plaats komt. `Laten we er verder vooral niet over praten', is tot nog toe de oplossing geweest.

Er is nog een overweging die aandacht verdient. Onlangs werd bekend dat Lovers de concurrentie met de NS heeft opgegeven. Naar aanleiding daarvan verzekerde minister Netelenbos het volk niettemin dat men die terugtrekking niet moest zien als het einde van de marktwerking om het spoor. De absurditeit om over markt te spreken waar markt geen kans heeft, ook niet via concessies van de overheid, verdient met hoongelach te worden begroet, hetgeen ik ook deed. Maar hoever moet daarmee worden gaan?

Flauwekul en incompetentie lijken meer regel dan uitzondering te zijn, ook op het hoogste niveau van onze door overheden vertroetelde business-bureaucratieën. Maar ook al komt hij poedelnaakt in beeld, je mag niet zeggen dat de keizer geen kleren heeft, omdat de burger dat zèlf al begint door te krijgen en wegblijft van de stembus – een groeiend percentage, overal in het Westen, en heel manifest in Nederland. Hoongelach is nodig, maar een te groot en lang aangehouden gebulder zou het dedain voor de politiek doen toenemen en de kiezers nog verder weg drijven van de stembus. Wie wil dat op zijn geweten hebben? Intussen ben ik wel van plan om door te gaan met te schrijven wat ik denk, vertrouwend op wat de ervaring heeft geleerd over het edele ongeloof in brede kring.

Karel van Wolferen is oud-correspondent van NRC Handelsblad in Japan en universiteitsprofessor aan de Universteit van Amsterdam. In die laatste hoedanigheid sprak hij bovenstaande tekst begin oktober uit tijdens een bijeenkomst over de grenzen van het weten.