Arbeidsmoraal Japan maakt school in China

Chinese staatsbedrijven experimenteren met goedkeuring van Peking met managementvormen. Harde werkers worden extra beloond. De verbetering van de arbeidsmoraal leidt hier en daar al tot succes.

Er gaat een monotone brom rond op de spoelenzaal van de magneetfabriek. Driehonderd jonge vrouwen zitten achter lange tafels met hun neuzen bovenop op hun handen gedrukt. Ze dragen dezelfde blauwe hoofddoekjes, dezelfde blauwe schorten en doen dezelfde handelingen. Het is één grote blauwe machine. Er wordt niet gepraat. De opwindapparaten pruttelen driftig, de snelle handbewegingen zijn niet te volgen. Maar binnen een mum van tijd hangen er nieuwe bossen koperdraadwindingen aan de bewaarrekken naast de machines.

Praten is verboden. Het werk staat dat niet toe. Grove mannenhanden ook niet. ,,Mannen missen de fijngevoeligheid van vrouwen'', zegt zaalchef Nong. Mannen zijn hier niet welkom. Nong is de zwaarlijvige opzichter van de spoelenzaal en zij waakt over haar jonge werknemers als een strenge meesteres. Met de handen op de rug loopt ze kritisch langs de tafels. Geen van de meisjes kijkt op. De besten maken zevenduizend spoelen per dag. Acht uur werken en drie keer tien minuten pauzeren. Nong knijpt een meisje met rode appelwangen moederlijk in haar arm. ,,Zij is de beste'', zegt ze hoorbaar voor de hele zaal. De naam en de foto van het meisje hangen op een bord bij de ingang, opdat iedereen weet wie er deze maand het beste werk heeft geleverd. Harde werkers worden beloond. Op de muren van de productiezaal is dat nog eens groot in rood neergeschreven. `Een hoge productie betekent rijkdom!' De fabrieksdiscipline heeft manager Lin Yongning opgestoken in Japan. ,,In één woord geweldig!'', zegt hij. Drie keer is Lin al in dat land geweest. Op bezoek bij Kyocera, een grote Japanse multinational die computerchips, telefoons, kopieermachines en fototoestellen maakt. Lin, die net als alle werknemers gekleed gaat in het fabrieksblauw, heeft in de afgelopen jaren de structuur van het succesvolle Japanse bedrijf nauwkeurig bestudeerd. Hij heeft zo ontdekt dat het in zijn bedrijf vooral ontbrak aan discipline en saamhorigheid.

,,Dromen is kracht'', citeert Lin de bedrijfsslogan van Kyocera. Prachtig vindt hij dat. ,,In Japan zijn werknemers deel van een familie.'' En als familieleden geven zij om het welvaren van hun bedrijf. ,,Hun dromen zijn werkelijkheid geworden, omdat ze kunnen leunen op een familie die als één man achter hen staat. In de veertig jaar dat het bedrijf bestaat is er bij Kyocera nooit iemand ontslagen!'' Lin, die al sinds 1969 bij de fabriek werkt waarvan hij nu de baas is, streeft in zijn bedrijf naar de opbouw van een arbeidsmoraal die hij in Japan heeft ontdekt. De 47-jarige fabrieksmanager gelooft dat het dé weg is die alle verliesdraaiende bedrijven in China moeten gaan. Tianci, het bedrijf van Lin, is een sprekend voorbeeld van een Chinees staatsbedrijf dat, overeenkomstig de wens van de Chinese regering, experimenteert met bedrijfs- en managementvormen. Begin jaren negentig was het bedrijf in de havenstad Tianjin, evenals een groot deel van China's 1,9 miljoen staatsbedrijven, nog een verlieslijdende onderneming. Maar dankzij het ondernemerschap van Lin en de aansporing van de overheid, die niet meer van plan en in staat is kostbare staatsfabrieken eindeloos financieel tegemoet te komen, is de fabriek uitgegroeid tot een bedrijf waar toekomst in zit. Maar makkelijk was die transformatie niet.

,,Als kind van de staat hebben we leren luisteren naar de behoefte van de overheid, niet naar de behoefte van de markt'', zegt Lin. Daarom zijn in bijna alle Chinese staatsbedrijven het aanbod en de vraag zo slecht op elkaar afgestemd. Al sinds 1984 garandeert de staat de afname van de magnetische producten van Tianci niet meer. En vanaf dat moment hebben Lin en zijn collega's zich verdiept in de ontwikkeling van nieuwe producten. Maar het duurde nog vijf jaar voordat het bedrijf zelf op zoek ging naar klanten. ,,Het is voor ons allemaal een harde leerschool geweest.'' De befaamde magnetische bekers, waarvan het bedrijf er in zes jaar veertig miljoen verkocht, deden het vooral goed in Azië. De westerse markt bleek minder gevoelig voor ,,gezond water dat door magneetkracht levend wordt gehouden''. Het product bleek de schakel te zijn naar een nieuwe markt: waterzuiveringsapparatuur.

,,Een goed bedrijf is als een wild dier'', zegt Lin. ,,Het moet zelf op zoek naar voedsel. Het is van niemand afhankelijk. Wanneer de staat minder controle heeft over het bedrijfsleven, nemen de initiatieven toe en groeit de economie.'' De staat is het daar mee eens, maar wil er om politieke redenen niet helemaal aan. Structurele sectoren van de economie, zeggen haar communistische leiders, moeten in handen blijven van de overheid, ten gerieve van de gemeenschap – maar feitelijk in het belang van verouderde politieke idealen.

Het staatsaandeel in de economie mag worden teruggebracht tot misschien 25 procent (van 80 procent in 1980, tot 40 procent het afgelopen jaar), zo'n 1.500 tot 2.000 grote conglomeraten, en daar moet het bij blijven. Maar voorlopig betekent het in de praktijk nog dat zelfs relatief kleine bedrijven als Tianci, waar 1.300 mensen werkzaam zijn, niet helemaal los worden gelaten door de staat.

Manager Lin baalt daarvan. Hoewel hijzelf een ambtenaar is die werkt in opdracht van het stadsbestuur van Tianjin, zou hij zijn bedrijf maar wat graag privatiseren. Met alle risico's van dien. Sinds 1996 is Tianci voor 45 procent in handen van de werknemers die allen beschikken over aandelen die zij voor 1.200 gulden hebben gekocht. Maar de staat heeft zijn meerderheidsaandeel in het bedrijf behouden. ,,De overheidsbureaucratie kan geen snelle marktbeslissingen nemen'', zegt Lin.

Lin voelt zich beperkt in zijn vrijheid te `experimenteren met eigendoms- en managementvormen', zoals de regering heeft adviseerd. Met de arbeidsmoraal die hij in zijn bedrijf heeft gekweekt, zijn al flinke successen behaald, maar de overheid staat nieuwe groei in de weg. De trukendoos van Lin, die hij heeft meegenomen uit Japan, is uiteindelijk geen oplossing voor alle kwalen. De fabrieksfamilie moet geduld betrachten. Want al zijn de werknemers op de vloer van opzichter Nong nog zo stil, aan de rijkdom die op de fabrieksmuur in rode karakters wordt beloofd, zit een grens, zolang de staat een vinger in de pap van Lin behoudt.