Wettelijk aansprakelijk

EEN CAFÉRUZIE escaleert. De ene gast trapt de ander en merkt terzijde tegen de omstanders op dat het maar goed is dat hij schoenen met stalen neuzen draagt, want dat trapt beter. Zijn slachtoffer blijkt een gescheurde milt te hebben opgelopen en spreekt de vechtersbaas aan voor de schade. Deze zegt tegen de politie en justitie: ,,Gescheurde wat? Milt? Ik heb maar twee jaar basisonderwijs en ik wist niet eens dat die man zo'n ding had.''

Het gevolg van deze verklaring is dat de verzekering opdraait voor de schade, want het beroep op eigen schuld (en dus eigen schade) van de dader gaat niet op. Zo schildert de Leidse hoogleraar bedrijfsrecht Mendel in zijn annotatie de consequenties van een uitspraak van de Hoge Raad over de zogeheten `opzetclausule' in de wettelijke aansprakelijkheidsverzekeringen. Het hoge rechtscollege legt deze clausule strikt uit zodat de verzekering moet opdraaien voor de gevolgen van wangedrag tenzij de dader die gevolgen ook werkelijk voor ogen had.

Het afschrikwekkende voorbeeld is niet vrij van overdrijving, want de Hoge Raad zegt met zoveel woorden dat rechters ook uit de gedragingen van de betrokkene kunnen afleiden dat deze wel degelijk besefte dat hij ernstig letsel aanrichtte zodat hij alsnog zelf opdraait voor de gevolgen. Schoenen met stalen neuzen wijzen een heel eind in deze richting. Maar een stimulans om zinloos geweld tegen te gaan, kan de boodschap ,,de verzekering dekt de schade'' moeilijk heten.

WAAROM NEEMT de Hoge Raad dit risico? Het vervelende is dat de uitspraak niet is gemotiveerd. Dat past in de olympische traditie van het hoogste rechtscollege. Zeker in dit soort maatschappelijk relevante gevallen is het echter moeilijk te verteren dat de Hoge Raad een loopje neemt met het grondwettelijk voorschrift dat vonnissen de gronden bevatten waarop zij berusten. Toch zijn er wel redenen te bedenken voor deze beslissing. Zoals een algemeen streven om uitzonderingen op verzekeringspolissen in het belang van de consument zo beperkt mogelijk te houden.

Een tweede reden is dat slachtoffers van geweldscriminaliteit meer baat hebben bij verhaal op een verzekeringsmaatschappij dan op de dader, die wel eens een kale kikker kan blijken te zijn van wie weinig valt te plukken. Schadevergoeding heeft in Nederland een reëel karakter. Anders dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten doet de rechtspraak hier niet aan het opleggen van schadevergoedingen met een punitief karakter die vaak een veelvoud kunnen zijn van de werkelijk geleden schade.

Dat neemt niet weg dat schadevergoeding sociaal-psychologische effecten heeft die de rechter niet kan negeren. Slachtoffers van geweldsdelicten zoeken volgens advocaten vaak niet zozeer een hoog bedrag als wel een vorm van erkenning van hun leed door de dader. Zoiets valt moeilijk uit te besteden aan een assuradeur. De verzekeringsbranche kondigt een verscherping van de polissen aan om de gevolgen van de uitspraak te beperken. Maar de grote vraag blijft: wat vindt de rechter nu werkelijk?