Hoop

Ik schrijf deze regels vanuit hotel Majestic te Lourdes, net terug van de avondprocessie. Op het enorme plein voor de basiliek zie je in de schemering eerst duizenden mensen in het rond waaieren als bladeren in de wind, ogenschijnlijk zonder systeem of doel. Maar dan begint de stoet vorm te krijgen, en daar gaan ze: honderden, honderden mensen in rolstoelen, de kaars stijf omhoog, de lippen meeprevelend met het Ave Maria dat uit de luidsprekers schalt, soms hangend in de dekens, soms het gezicht vol verband, een enkeling onder de aids-vlekken, twee ouders die het hoofd van hun verlamde jongen proberen recht te houden, kijk, kijk toch naar de Maagd, alle wanhoop uit de achterkamers van Europa barst hier open.

Iedereen is oud, iedereen is arm. Het zijn Zeeman-jacks en plastic tassen die de toon zetten, niets anders. Het tempo is overweldigend, de helpers hollen bijna, soms worden hele slierten gevormd om de jagende rolstoelen op koers te houden. Dan komen de bedden, met dezelfde vaart, de patiënten onder een rood zeiltje, tas op de buik, een jongen raast langs met een bungelend infuus, vader en moeder er biddend omheen, een kleine hollende piëta. Daarna de rest van de menigte, sommigen met vaandels van club of buurt. Een boerenfamilie loopt achter een immense kaars, gesjouwd door de sterkste man van het dorp met iets van: `Als dit niet helpt weten we het ook niet meer.'

Nu wordt er uit de luidsprekers gezongen, en de menigte zingt mee met het schrille Maria-lied, zwaaiend met de kaarsen. Een dolle vrouw schreeuwt of huilt, het klinkt als een uil in de duisternis.