Helletocht van een nihilistische paardenslager

Ze leeft tenminste nog, denk je aan het slot van Seul contre tous met een zucht van verlichting. Dat een incest-scène tussen een grimmige oudere man en zijn volwassen autistische dochter, begeleid door de canon van Pachelbel, troost kan bieden, zegt veel over het nihilisme van de voorafgaande negentig minuten. Iets eerder heeft de paardenslager, de eenzame held van de film, zijn dochter in gedachten de kogel gegeven. Zonder veel omhaal, als een routineuze handeling in het abattoir. Regisseur Gaspar Noé had ons gewaarschuwd, met een schriftelijke vermaning over de hele breedte van het cinemascope-beeld: `u heeft dertig seconden om de zaal te verlaten!'

In zijn eerste lange speelfilm borduurt de in Argentinië geboren Noé voort op het thema en de personages van Carne, zijn in het festivalcircuit succesvolle korte film uit 1991. In die film vermoordt een misantropische slager, zeer overtuigend gespeeld door Philippe Nahon, een buitenlander, die hij er ten onrechte van verdenkt zijn dochter te hebben verkracht. Aan het begin van Seul contre tous komt hij uit de gevangenis, schopt zijn zwangere vriendin in haarbuik en begint aan een helletocht door blauwgrijze, afgebladderde straten en troosteloze appartementen in Lille en de buitenwijken van Parijs. In beeld zegt Nahon niet veel, maar op de geluidsband is hij onophoudelijk aan het woord, in een blasfemische litanie tegen de wijven, de flikkers, de buitenlanders, de rijken, de politici, tegen alles wat hij niet is. Noé zegt Voyage au bout de la nuit nooit te hebben gelezen, maar de kroegwijsheden van de slager, die de Fransen een volk van kaaseters en homo's noemt, gedijen wel degelijk op de ooit door Céline aangelegde humuslaag van alledaags fascisme.

Noé situeerde zijn film aan het begin van de jaren tachtig, zodat de verbittering van de hoofdpersoon over zijn werkloosheid een maatschappelijke verankering krijgt en de partijpolitieke institutionalisering van dit soort burgermansrancune nog niet ter sprake hoeft te komen. Je zou dat een beetje laf kunnen noemen, maar dat is niet mijn hoofdbezwaar tegen Noé's film. Ook het onweersproken blijven van verwerpelijke gedachten en daden hoeft niet tegen een film te pleiten; het eveneens tijdens het afgelopen International Filmfestival Rotterdam vertoonde Sombre van Philippe Grandrieux verschafte ons ook inzicht in de gevoelens van een nihilistische sadist, maar die man ontroerde me.

De hoofdzonde van Seul contre tous vind ik dat Noé zijn personage van de buitenkant laat zien, als een curieus monster. Het is een retorische film, die de politiek-correcte toeschouwer schrik wil aanjagen, en daartoe de ene na de andere truc aanwendt. Een voorbeeld is het gebruik van de jump-zoom, waarbij een paar beelden uit de camerabeweging worden weggesneden, onder het geluid van een effect dat klinkt als een pistoolschot. ,,Hoor eens, kijk eens'', zegt dat effect: ,,dit is een film als een mokerslag.'' Een andere truc, ontleend aan Godard, is de projectie van betekenisvolle woorden als tussentitels: `Moraal! Gerechtigheid!'. Aan het einde van de jaren zestig werkte die truc als een persiflage op de reclame-esthetiek, nu betekent het zo goed als niets meer.

Seul contre tous is een film als een pamflet, een tirade tegen de goede smaak. Niemand in Frankrijk wilde Noé's film subsidiëren of financieren, behalve Agnès B., de koningin van de prêt-à-porter, die in het project geloofde. Dat was een moedige daad, maar ook een feit dat te denken geeft over nieuwe definities van culturele macht en elite.

Seul contre tous. Regie: Gaspar Noé. Met: Philippe Nahon, Blandine Lenoir, Frankye Pain, Martine Audrain, Paule Abecassis, Guillaume Nicloux. In: Rialto, Amsterdam; 't Hoogt, Utrecht; Cinemariënburg, Nijmegen.