De Nederlandsche Bank liet economie zelf ontsporen

President Wellink van De Nederlandsche Bank heeft kritiek op het kabinetsbeleid, dat de verhitte toestand van de economie aanwakkert. Maarten Schinkel meent echter dat de Bank zelf voor een flink deel verantwoordelijk is voor het dreigende ontsporen van de economie.

Wee minister Zalm. Groeit de Nederlandse economie als kool, is het weer niet goed. Twee weken geleden waarschuwde president Wellink van De Nederlandsche Bank (DNB) dat de inflatie te hard gaat. Wellink hekelde ook het besluit van het Nederlandse kabinet om het belastingplan van 2001 gepaard te laten gaan met een lastenverlichting van 5 miljard gulden die alleen maar meer olie op het vuur gooit, en dan ook nog de btw te verhogen van 17,5 procent naar 19 procent – hetgeen de inflatie zo'n 1,2 procent extra op doet lopen.

De inflatie in Nederland is inderdaad hoog: 2,6 procent in augustus en 2,2 procent in september. Alles bij elkaar zal de inflatie dit jaar ruim boven de 2 procent uitkomen. En dat is het dubbele van de gemiddelde inflatie in de elf landen die samen de Europese muntunie (EMU) vormen. Het is, zo is de tendens nu, de schuld van Zalm. De Nederlandsche Bank tekende in april van dit jaar bij de publicatie van het jaarverslag al aan dat de prijzen van overheidsdiensten en indirecte belastingen – prijzen dus die door de overheid worden vastgesteld – al jarenlang veel sterker toenemen dan het algehele prijspeil. Als de overheid haar prijzen gewoon in lijn met de rest zou verhogen, dan zou de inflatie 0,5 procent lager zijn.

FNV-voorman De Waal heeft gezegd dat de lastenverlichting in 2001 zijn vakcentrale niet zal beïnvloeden bij de loononderhandelingen. Van de FNV moet, kortom niet worden verwacht dat zij haar looneisen beperkt zal houden omdat de lastenverlichting de netto-inkomens van werknemers al opschroeft.

Zo tekent zich de dreiging af van een te hete economie met alle risico's voor een loon-prijsspiraal. Met de grotere toename van de prijzen van goederen, diensten en arbeid dan het Europese buitenland `prijst' Nederland zich letterlijk uit de exportmarkt en verliest aan concurrentiekracht. Nu het land tot zijn nek in de kredieten zit, kan een economische omslag straks extra hard aankomen. En hoe langer de economie uit de hand loopt, hoe harder de klap.

De Nederlandsche Bank spreekt vanaf de zijlijn zijn zorgen uit. DNB is sinds begin dit jaar onderdeel van het Europese Stelsel van centrale Banken, en heeft daarmee effectief het rentewapen uit handen gegeven aan de Europese Centrale Bank (ECB) in Frankfurt. In de praktijk is dat al een jaar of zestien zo: sinds begin jaren tachtig heeft De Nederlandsche Bank de koppeling van de gulden aan de Duitse mark tot beleidsdoelstelling verheven. Het rente-instrument is sindsdien enkel gebruikt om die koppeling, tegen 1,127 gulden per D-mark te handhaven.

Wellink wordt als lid van het bestuur van de ECB nu geacht te denken en te handelen in het belang van de euro-economie, en niet in het nationale Nederlandse belang. Die euro-economie kenmerkt zich door een lage inflatie, en een nog maar net aantrekkende economische groei. Daar hoort een euro-rente bij die, met 2,5 procent nu, veel lager is dan wat de Nederlandse economie nodig zou hebben. Rond de 5,5 procent zou beter zijn als De Nederlandsche Bank zelf de rente zou mogen vaststellen. Maar ja, de handen zijn gebonden.

Gaat de Bank dus vrijuit? Twee beleidsdaden van De Nederlandsche Bank zelf hebben bijgedragen tot de situatie van nu. Het koste wat kost vasthouden aan de vaste wisselkoers met de D-mark ging gepaard met een veel lagere inflatie van de prijs van goederen, diensten en arbeid in Nederland dan in Duitsland. De gulden had in die tijd in waarde moeten toenemen tegenover de mark. Analisten hebben al berekend dat die waarde niet de altijd aangehouden 1,127 gulden per mark moest zijn, maar ergens rond de 1,05 gulden per mark.

Door de gulden echter niet te laten appreciëren, heeft Nederland in kleine stapjes in feite een heimelijke devaluatie doorgevoerd. Bovendien moest de rente al in die jaren gedwongen extra laag zijn, om de gulden niet zijn natuurlijke drang tot appreciatie tegenover de mark te laten doormaken. Terwijl de Nederlandse economie sinds 1994 al harder groeit dan de Duitse, was de Nederlandse rente van tijd tot tijd lager dan die in Duitsland.

De Nederlandsche Bank gaf in april van dit jaar toe er vorig jaar, toen de wisselkoersen waartegen de nationale munten in de euro zouden opgaan werden vastgesteld, intern over te hebben gesproken de gulden tegen een hogere koers in de euro in te brengen. Maar van het voorstellen van die optie is afgezien – het was niet eens een officieel agendapunt.

In plaats van revaluatie is er voor gekozen de wanverhouding recht te trekken door te accepteren dat de inflatie in Nederland een tijdje wat hoger zou zijn dan het Europese gemiddelde. De relatief hoge inflatie van nu is dus voorzien en, sterker nog, ingecalculeerd. Het is dan ook vreemd om de president van De Nederlandsche Bank daar nu plots alarm over te horen slaan.

Een tweede beleidsdaad van De Nederlandsche Bank die de oververhitting heeft bevorderd hangt hiermee samen. De al jaren te lage rente voor de economische omstandigheden in Nederland leidde in de loop van de jaren negentig tot een explosie in de kredietverlening. Die heeft bijgedragen tot de zeer snelle stijging van de huizenprijzen. Begin 1997 liet de toenmalige DNB-president Duisenberg deze krant weten de commerciële banken te hebben gemaand tot terughoudendheid bij hun kredieten. 2,5 jaar later moet worden geconcludeerd dat dit geen enkel effect heeft gehad. Ten opzichte van begin 1997 is het consumptief krediet, dat toen al fors was, nog eens met 27 procent gestegen. De waarde van nieuwe hypotheken is in deze periode meer dan verdubbeld.

Duisenberg, nu president van de Europese Centrale Bank, zei vorige week dat de monetaire omstandigheden in de euro-economie `nogal genereus' zijn. Euro-wijd groeit de geldhoeveelheid nu met tegen de 6 procent en de kredietverlening aan de private sector met 10 procent op jaarbasis. De geldhoeveelheid groeit hier op dit moment met meer dan 11 procent en de kredietverlening aan de private sector met ruim 15 procent, cijfers op grond waarvan Duisenberg zich dood zou moeten schrikken.

De oproep van begin 1997, en herhalingen daarna, om het wat rustiger aan te doen met de kredietverlening hebben de banken kennelijk naast zich neergelegd. Vorige maand kondigde een ongeruste Nederlandsche Bank aan een onderzoek te gaan doen naar de kredietverlening. Goed idee, maar wel een jaar of drie te laat.

De centrale bank plukt dus de vruchten van zijn eigen handelen. Het wonder van het poldermodel heeft zich in de jaren negentig mogen voltrekken onder uitbundige monetaire omstandigheden: een te lage rente, een kunstmatig laag gehouden nationale munt en een zwakke greep op de geldschepping door het bankwezen. Dat de zaak daardoor nu uit de hand dreigt te lopen is voor een deel het gevolg van dit beleid. En daar heeft Wellink destijds toch echt zijn handtekening onder gezet.

Maarten Schinkel is redacteur van NRC Handelsblad.