Nobelprijs voor Nederlandse fysici

De Nobelprijs voor de Natuurkunde is dit jaar toegekend aan de Nederlandse fysici Gerard 't Hooft en Martinus Veltman. Zij krijgen de prijs voor het wiskundig funderen van de theorie van de elementaire deeltjes, de kleinste bouwstenen van de materie. Dit heeft de Zweedse Academie van Wetenschappen vanmorgen bekendgemaakt.

Prof.dr. G. 't Hooft (1946) is sinds 1977 verbonden aan de Universiteit Utrecht, prof.dr. M.J.G. Veltman (1931), zijn leermeester, werkte eveneens in Utrecht en vervolgens aan de Universiteit van Michigan in Ann Arbor. Inmiddels is hij met emeritaat en woont in Bilthoven.

De beide theoretisch fysici hebben zich vanaf het einde van de jaren zestig beziggehouden met zogeheten ijkveldentheorieën. Die spelen een beslissende rol in de pogingen van natuurkundigen de wisselwerking van de natuur in één samenhangend schema onder te brengen.

Onder meer op basis van het werk van Veltman en 't Hooft is in de loop van de jaren zeventig het `Standaardmodel' ontwikkeld. Dit brengt de verschillende elementaire deeltjes en hun onderlinge wisselwerkingen op wiskundig effectieve wijze in kaart en is sindsdien met verbluffende precisie bevestigd in experimenten met deeltjesversnellers, onder andere het CERN in Genève.

De periode vóór het baanbrekende werk van Veltman en 't Hooft werden fysici in hun zoektocht naar het vinden van een theorie voor de elementaire deeltjes geplaagd door het optreden van `oneindigheden' in de uitkomsten van hun berekeningen die iedere voortgang blokkeerden.

Het was Veltman die eind jaren zestig, toen hij zojuist als hoogleraar te Utrecht was benoemd, een in onbruik geraakte theoretische aanpak met succes nieuw leven inblies. Daarbij maakte hij gebruik van een door hemzelf ontwikkeld computerprogramma, `Schoonschip' geheten. In 1969 kreeg Veltman gezelschap van de toen 22-jarige promovendus Gerard 't Hooft. In 1971 slaagde 't Hooft erin het probleem van de oneindigheden op basis van de ideeën van Veltman te omzeilen, zodat de berekeningen alsnog zinnige uitkomsten opleverden.

Sindsdien beschikken fysici over een uiterst doeltreffende wiskundige methode om de elementaire deeltjes te beschrijven.

Deze speelde een doorslaggevende rol in de ontdekking van het zogeheten W-deeltje in 1983 in de Geneefse deeltjesversneller CERN. Voor die laatste ontdekking kreeg de Nederlandse experimenteel fysicus Simon van der Meer in 1984 de Nobelprijs.

Naar een belangrijk uitvloeisel van de theorie van 't Hooft en Veltman, het zogeheten Higgs-deeltje, zijn de fysici nog altijd op zoek. De hoop is dat een nieuwe, in aanbouw zijnde deeltjesversneller van CERN ook dit deeltje op het spoor zal weten te komen.

De laatste keer dat een Nederlander de Nobelprijs ontving was in 1995. Toen ontving Paul Crutzen, werkzaam aan een Duits onderzoeksinstituut, de prijs voor de scheikunde.