Meer Clarks, minder schoothonden

oe maak je van een suffe schoothond een onverschrokken leeuw? Voor een tekenaar is dat een eenvoudig karweitje. Hij tekent de hond een stel manen op zijn kop, pompt het beest op tot hij het formaat van een leeuw heeft, zet er twee paar klauwen onder en de leeuw kan lopen. Het is heel wat moeilijker dat kunstje met het parlement uit te halen, zoals de Groningse hoogleraar in het staatsrecht D.J. Elzinga enkele weken geleden in zijn Haagse Burgemeesterslezing impliciet bepleitte. Als het parlement zou doen wat de kiezers blijkens onderzoek verlangen, dan verschaft het zich meer armslag tegenover de regering en eist het weer ruimte op voor een zelfstandige rol – zoals Montesquieu het met zijn idee van de machtenscheiding oorspronkelijk bedoeld heeft.

Een volksvertegenwoordiging die zich meer zou gedragen naar de rolopvatting die de kiezers van het parlement hebben, zou de regering dus meer ruimte laten om te regeren en zichzelf meer ruimte verschaffen om te controleren en regelmatig een flinke keel op te zetten – de rol van `leeuw'. De kiezers, aldus Elzinga, willen dat het parlement meer afstand schept en meer werk maakt van de controle op de macht van regering, van andere bestuurscolleges en ambtenaren. Tegelijkertijd hechten zij zeer aan politiek leiderschap van gezaghebbende bestuurders.

Elzinga bracht in zijn blauwdruk voor een staatkundig reveil nog meer opwekkende uitkomsten van recent verkiezingsonderzoek ter tafel die de tegenwoordige generatie beroepspolitici te denken moet geven. De kiezer blijkt helemaal niet gediend te zijn van meebesturende en meeregerende volksvertegenwoordigers, die algeheel onderdeel zijn geworden van wat de Groningse hoogleraar noemt de Papierkrieg en die onder dreigen te gaan in het bureaucratische politieke bedrijf dat zich nogal eens kenmerkt door veel intern rumoer en weinig externe herkenbaarheid. Volgens Elzinga prefereert de gemiddelde kiezer een duidelijke scheiding van de verschillende politieke machten. Dat wijst op een opmerkelijke tweedeling: aan de ene kant wordt de politiek steeds bureaucratischer, waardoor zij almaar verder van de kiezer af komt te staan; aan de andere kant spreekt de kiezer een behoefte uit aan herkenbare volksvertegenwoordigers die niet verklonterd zijn met de macht. De conclusie die zich uit Elzinga's gegevens opdringt is dat de staatkundige denkbeelden van de oude Montesquieu er bij de kiezers dieper inzitten dan bij de politici.

Elzinga bepleit de machtenscheiding zoals die nog bestaat bij de rechterlijke macht (waarop de laatste jaren overigens heel wat inbreuk is gepleegd door de organisatiefreaks van Justitie) door te trekken naar de sfeer van de politiek. Het parlement in een vrijere rol tegenover de regering, de regering in een vrijere rol tegenover het parlement. Een zekere politieke afstand, verwacht Elzinga, schept zuiverder politieke verantwoordelijkheden en kan het controlerende vermogen van het parlement aanzienlijk versterken. Elzinga ziet niets in de discussie over de juridische aanpassing van de ministeriële verantwoordelijkheid – zoals aangeslingerd door enkele secretarissen-generaal. Des te meer gelooft hij in een versterking van het staatkundig dualisme: parlement versus regering, controlerende macht versus wetgevende en uitvoerende macht. ,,De komende jaren zouden wel eens in het teken kunnen staan van een veel grotere politieke arbeidsdeling met als hoofddoel het vergroten van de herkenbaarheid van de politiek, teneinde de afstand tussen politiek en samenleving te verkleinen.''

De vraag is wat voor parlementariërs we daarvoor nodig hebben. Zeker niet het soort dat de tegenwoordige bevolking van het parlement uitmaakt. Dat heeft in meerderheid een teveel aan ambtelijke achtergrond, is politiek conformistisch en niet in staat zich aan de papieren wereld van Den Haag te ontworstelen. Elzinga liet de personele eisen die aan zijn staatkundig geherstructureerde parlement gesteld moeten worden onbesproken, maar het laat zich raden wat voor parlementariërs hij op het oog heeft. Geen vaandeldragers van de politiek die als schoothonden op de knie van de regering zitten, maar kritische, onafhankelijke geesten (oppositionele inslag geen bezwaar) die de regering hinderlijk op de huid zitten.

De onlangs overleden conservatieve Britse parlementariër en oud-onderminister van Defensie Alan Clark werd door vriend en vijand de hemel ingeprezen, omdat hij die kwaliteiten in een voorbeeldige overvloed bezat. Als alle parlementen in Europa een hoger Clark-gehalte zouden hebben, zouden we over de toekomst van de democratie niet hoeven te wanhopen. Als het hem uitkwam stemde Clark met zijn fractie mee, maar fractiediscipline lapte hij meestal aan zijn laars. Hij was eerst en vooral his own man die zijn intellectuele scepsis met een verfrissende politieke onvoorspelbaarheid in de strijd wierp. Voor vele kiezers was hij op die gronden de ideale volksvertegenwoordiger.

Politieke journalisten liepen met Clark weg, omdat hij even onverschrokken als slagvaardig was, maar hij had nog een andere zeldzame eigenschap. Hij was ontwapenend openhartig over zijn Casanova-praktijken. Zijn populariteit werd nog groter toen een Zuid-Afrikaanse rechter in Clarks kiesdistrict een kruistocht tegen hem begon, omdat hij bij een kort bezoek aan Zuid-Afrika de vrouw van de rechter had verleid. In plaats van in zijn schulp te kruipen maakte de schaamteloze Clark daarop zelf bekend dat hij in zijn schaarse vrije tijd niet alleen bij de echtgenote succes had gehad, maar ook bij haar twee dochters. De bedrogen echtgenoot stond met de mond vol tanden en de kiezers waardeerden hun geachte afgevaardigde des te meer om de stoutmoedigheid waarmee hij zich uit die penibele situatie had gered.