Kernstopverdrag raakt visie op rol VS in de wereld

De ratificatie van het kernstopverdrag in de VS lijkt uit te lopen op een machtsstrijd tussen Republikeinen en Democraten.

President Clinton had zich zoveel voorgesteld van de ratificatie van het verdrag dat kernproeven verbiedt. Het was niet alleen een prioriteit in zijn buitenlandse beleid, het had zijn statuur als internationaal staatsman moeten veiligstellen.

Maar het loopt allemaal anders. Clinton mag nu blij zijn als de Senaat de stemming over het verdrag uitstelt. Gebeurt dat niet dan lijkt een vernederende nederlaag onafwendbaar.

Het verdrag is de afgelopen tien dagen de inzet geworden van bittere partij-politieke touwtrekkerij tussen Democraten en Republikeinen. Maar dat is niet het hele verhaal. Het debat tussen de voor- en tegenstanders van het zogeheten Comprehensive Test Ban Treaty (CTBT) komt ook voort uit wezenlijke verschillen van inzicht over Amerika's rol in de wereld.

Alle betrokkenen lijken te beseffen dat het lot van het verdrag in de Senaat verstrekkende gevolgen kan hebben – niet alleen voor Amerika, maar ook voor de toekomstige krachtsverhoudingen in de wereld en zelfs voor de hele mensheid. Maar dat inzicht heeft totnogtoe geen ontnuchterende uitwerking gehad op de Amerikaanse politici die het debat over de kwestie voeren. Aanhangers in Washington van het oude geloof dat de buitenlandse politiek profiteert van consensus tussen beide partijen, laten hun invloed hoogstens nog achter de schermen gelden.

In het openbaar is het debat van het begin af aan begeleid door het schrille geluid van verwijten over en weer. Democraten verwijten de Republikeinse meerderheidsleider dat hij het verdrag twee jaar lang heeft genegeerd, dat hij het nu alleen in stemming wil brengen om het snel de nek te kunnen omdraaien en dat hij daarom te weinig tijd uittrekt voor serieus debat. De Republikeinen op hun beurt verwijten de president en zijn partijgenoten dat ze eerst klaagden dat het verdrag niet in stemming werd gebracht, terwijl ze nu dat alsnog gebeurt opeens moord en brand schreeuwen omdat ze zien aankomen dat ze het onderspit gaan delven.

De penibele positie waarin president Clinton zich bevindt is niet alleen te wijten aan de harde opstelling van de Republikeinen. Zijn eigen leiderschap, of het gebrek daaraan, heeft ook een rol gespeeld. Nadat Clinton het verdrag in 1996 had getekend en een jaar later naar de Senaat had gestuurd, heeft hij niet veel werk gemaakt van het lobbyen onder senatoren.

Hij heeft het belang van het verdrag niet uiteengezet in toespraken tot het volk – daarmee voorkwam hij dat de discussie snel zou oplaaien, wat allerlei politieke tegenstanders zou wakker schudden. Maar hij ontwikkelde ook geen strategie om de vereiste 67 senatoren voor het verdrag te winnen. De president en zijn bondgenoten in het Congres beperkten zich ertoe de Republikeinen aan de schandpaal te nagelen, vooral de afgelopen maanden, voor hun onwil om het verdrag in stemming te brengen.

Ondertussen ontging het hen dat de Republikeinse weerstand tegen het verdrag zich verhardde. De Republikeinse senator Jon Kyl, van Arizona, voerde sinds het voorjaar in overleg met Trent Lott stilletjes een campagne om zijn collega's te overtuigen van het gevaar van het verdrag voor de Amerikaanse veiligheid. Terwijl de Democraten nog luid riepen dat het een schande was dat het verdrag niet in stemming werd gebracht, kwam Lott tot de conclusie dat er voldoende tegenstanders van het verdrag waren om het om zeep te helpen. Zelfs een internationalist als Richard Lugar bleek er onvoldoende vertrouwen in te hebben.

Triomfantelijk kondigde Lott aan dat de Democraten kregen wat ze zo graag wilden. Als de Democraten dachten dat de Republikeinen het niet op een stemming durfden te laten aankomen, dan hadden ze het mis. Lott rook een overwinning, in een tijd waarin de Republikeinen op Capitol Hill de ene na de andere nederlaag lijden. Hun plan voor belastingverlaging moesten ze inslikken; een wetsvoorstel van de Democraten voor hervorming van de ziektekostenverzekering haalde een meerderheid dankzij bijna 70 Republikeinse overlopers; en de verhoging van het minimumloon, ook al een Democratisch stokpaardje, lijkt niet meer tegen te houden. Het CTBT zou nu eens een Republikeinse triomf worden en een nederlaag voor de gehate president.

Dat een nederlaag voor de president in deze kwestie ook een nederlaag voor het aanzien van Amerika in de wereld zou zijn, ontging sommige, maar niet alle Republikeinen. Henry Kissinger (oud-minister van Buitenlandse Zaken onder de presidenten Nixon en Ford), Brent Scowcroft (veiligheidsadviseur onder Bush) en John Deutch (CIA-directeur tijdens Clintons eerste termijn) pleitten vorige week op de opiniepagina van The Washington Post voor uitstel van de stemming, evenals senator John McCain, die ook is kandidaat voor de Republikeinse nominatie voor de presidentsverkiezingen.

Clinton, schilderde zaterdag in zijn wekelijkse radiopraatje een somber beeld als het verdrag wordt afgestemd. ,,Hoe kunnen we India en Pakistan dan nog overtuigen af te zien van verdere kernproeven?'' vroeg hij. Het zou de eerste keer zijn, aldus Clinton, dat de Senaat een verdrag afstemt sinds de verwerping van het Verdrag van Versailles, de dramatische nederlaag van president Woodrow Wilson.

Maar nu het debat zo luid gevoerd wordt, is de kans klein dat veel senatoren zich nog op andere gedachten laten brengen. De posities zijn betrokken. En de afgelopen week is bovendien een oud en bitter debat uit de Koude Oorlog weer tot leven gewekt, constateerde The New York Times zondag, het debat over de vraag of ontwapeningsverdragen de Amerikaanse nucleaire afschrikking vergroten of juist in gevaar brengen. De vermelding in de preambule tot het verdrag dat het staken van alle kernproeven ,,een effectief middel is tot nucleaire ontwapening'' sterkt de tegenstanders van het verdrag alleen maar in hun wantrouwen dat dit het begin is van een vrijwillige verzwakking van Amerika.

Met de huidige Amerikaanse superioriteit op militair en economisch terrein groeit op Capitol Hill het geloof dat internationale samenwerking niet gepaard mag gaan met het opgeven van Amerikaanse bewegingsvrijheid. Veiligheid wordt niet zozeer gezocht in bondgenootschappen en verdragen, maar vooral in versterking van de eigen positie. Voor de Republikeinse aanhangers van die gedachte sluit het verzet tegen het kernstopverdrag aan bij de weerstand tegen betaling van de achterstallige VN-contributie, bij de weerstand tegen het internationale strafhof en bij de weerstand tegen Amerikaans militair optreden in kleine oorlogen in verre oorden.