Een bonte mengelmoes van mensen

Bij de voordeur van de Amsterdamse kunstenaar Martin Monnickendam (1874-1943) hing een bordje met het opschrift `Portretschilder'. Monnickendam vond `het portret het belangrijkste in de schilderkunst omdat de mens nu eenmaal het belangrijkste is'.

Op de expositie van Martin Monnickendam in het Joods Historisch Museum hangen maar een stuk of zes van de vele portretten die hij gemaakt heeft. Het zijn traditionele, ietwat statige beeltenissen van gegoede burgers uit het vooroorlogse Amsterdam. Van deze portretten straalt een sfeer van diepe ernst en daarmee lijken ze te verschillen van alle andere geëxposeerde schilderijen. Op een enkel stilleven na zijn er op alle doeken van Monnickendam mensen te zien, veel mensen. Of hij nu theaterloges schilderde, interieurs van synagoges, stadsgezichten, biljartzalen of veilinglokalen, altijd is er een bonte mengelmoes van mensen die opgaan in een aanstekelijke bedrijvigheid. In de theaterloges heerst een zorgeloos geroezemoes, in De optocht (1915) wacht een feestelijk uitgedoste meute op een koninginnedagstoet en op een gala in het paleis op de Dam concurreert de avondkledij van de feestgangers met de pracht en praal van de kroonluchters. Maar hoe onbekommerd en kleurig al deze taferelen ook zijn, wie naar de afzonderlijke figuren kijkt, ziet dat ook hun gezichten bijna allemaal vervuld zijn van ernst. Monnickendam schilderde zijn mensenmenigten in snelle streken, maar bij het weergeven van individuele gelaatstrekken ging hij heel nauwkeurig te werk. Behalve een weergave van vrolijke evenementen zijn deze schilderijen ook een soort verzamelportretten.

Doordat de doeken naast en onder elkaar tegen gele wanden hangen, temidden van rode draperieën, oogt de expositie als een 19de eeuwse Salon. Die indruk wordt nog versterkt door het werk zelf: met hun gloeiende kleuren, mondaine voorstellingen en veelal imposante formaten hebben de schilderijen de grandeur van het werk van Franse Salon-schilders uit de vorige eeuw.

Na zijn academie-jaren vertrok Martin Monnickendam in 1895 voor twee jaar naar Parijs waar hij gefascineerd raakte door de kleurrijke doeken van circussen en theaters van schilders als Renoir en Toulouse-Lautrec. Maar de Parijse vernieuwingsdrift zou nooit echt vat op hem krijgen. Omstreeks 1908 begon er iets van luminisme in zijn werk te gloren, maar het zette niet door. Monnickendam was wars van het modernisme in de beeldende kunst, de schilderijen van Gestel en Mondriaan deed hij in 1917 af als `producten van zinsverbijstering' en hij vond dat een museum-expositie van hun werk niet toegelaten mocht worden.

Hoewel de nieuwe stromingen in de schilderkunst aan hem voorbij gingen, was Monnickendam een gevierd schilder. Hij kreeg hoge onderscheidingen in binnen- en buitenland, deed mee aan talloze exposities en verkocht zijn werk voor goede prijzen. Het is dan ook raadselachtig waarom de criticus Albert Plasschaert hem in 1924, toen hij bij zijn 50-ste verjaardag een ere-tentoonstelling kreeg, een `miskend' schilder noemde. Die vermeende `miskenning' bleef Monnickendam aankleven: bij een expositie in 1974 werd hij opnieuw als een `miskende, vergetene' herdacht. Die miskenning was ook de reden waarom in dat jaar een stichting werd opgericht die zijn naam in ere moest herstellen. Die stichting heeft inmiddels twaalf exposities georganiseerd en ook de huidige tentoonstelling kwam in samenwerking met de stichting tot stand.

Het werk van Monnickendam is in het Joods Historisch Museum helaas niet chronologisch maar naar thema gerangschikt waardoor zijn ontwikkeling moeilijk te volgen is. Dat is jammer, want al bleef hij trouw aan de traditie, hij experimenteerde wel, met kleur-contrasten en vooral met het opbrengen van de verf. Omstreeks 1930 legde hij de verf in steeds dikkere lagen en klodders op het doek, zijn schilderen werd meer een boetseren met verf. In die jaren werd zijn palet ook lichter. Een doek als Venetië (1933), een monumentaal gezicht op het San Marcoplein, is uit zulke schrille tinten opgebouwd dat het bijna kitschig aandoet.

In zijn aquarellen was hij minder exuberant, daarin bereikte hij omstreeks 1910 al een mooi, helder kleurengamma. Bij deze aquarellen liet Monnickendam zich van zijn fijnzinnigste kant zien. Een zondagochtend-wandeling, kermisvertier of een strijkje in een park wist hij levendig en vooral oogstrelend weer te geven.

Tentoonstelling: Martin Monnickendam (1874-1943), In het Licht van de kleur. Joods Historisch Museum, Amsterdam, t/m 5 dec. Dag. 11-17 u.