Asielzoekerscentrum 2

Voor wie de ontwikkelingen van de laatste jaren ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting in Nederland heeft gevolgd, kan de aankondiging van het openbaar ministerie in Leeuwarden dat het gaat onderzoeken of `toespraken, ingezonden brieven en spandoekteksten' in Kollum/Zwaagwesteinde wellicht discriminerend zijn geweest, niet als een verrassing komen (NRC Handelsblad, 11 oktober).

Al jaren zijn politici van, bijvoorbeeld, de Centrum Democraten voor de handliggende (want weinig sympathie oproepende) doelwitten geweest van ambtenaren van het OM die iedere uitlating onderzoeken op `discriminatie'.

Nu is het dus de beurt aan gewone burgers die, geheel overeenkomstig de praktijk in voormalige communistische staten, worden aangegeven door medeburgers of antiracistische comités van waakzaamheid, omdat zij meningen hebben verkondigd die `discriminerend' zijn.

Een discriminerende mening – ik geloof niet dat ik snel een grotere onzinnigheid zou weten te bedenken. Terwijl het toch zo simpel is.

Gedrag kan discriminerend zijn (het weigeren van werk, een woning, een plaats in restaurant of school wegens iemands ras, geloof of geaardheid), meningen nooit.

Meningen zijn altijd uitsluitend respectabel, niet in die zin dat zij fraai of bewonderenswaardig zijn, maar omdat degene die ze uit een mens is.

Mensen dienen respectvol behandeld te worden – zelfs indien zij meningen verkondigen die over anderen het tegendeel beweren. Nederlandse politici (die de anti-discriminatie wetgeving hebben gemaakt) en rechters en officieren van justitie (die haar handhaven) zouden zich moeten realiseren dat de vrijheid van meningsuiting een fundamenteel grondrecht is dat veel te veel waard is om opgeofferd te worden aan politieke correctheid.

`Onwelgevallige' meningen moeten met argumenten bestreden worden, niet met processen!