Overheid draait zelfstandige gymnasia de nek om

Nederland wil zich profileren als kennisland. Alle reden dus om, als overheid, erg blij te zijn met de schier explosieve groei van het aantal leerlingen dat een categoriaal gymnasium bezoekt. Maar in plaats daarvan zit diezelfde overheid de zelfstandige gymnasia op een ongehoorde manier dwars, meent Reinildis van Ditzhuyzen.

De 38 zelfstandige gymnasia in ons land barsten uit hun voegen. Al vijftien jaar vertoont het aantal leerlingen dat een categoriaal gymnasium bezoekt een ononderbroken stijgende lijn (van 14.350 in 1975 tot 21.510 in 1999). Vooral de laatste jaren is de groei echter explosief te noemen. Ook voor het zojuist begonnen schooljaar hebben zich weer meer kinderen aangemeld dan vorig jaar.

Vanwaar deze opvallende aantrekkingskracht? Waarom kiezen ouders (en kinderen) in toenemende mate voor het categoriale gymnasium? Daar is natuurlijk onderzoek naar gedaan. Om te beginnen wordt voor zo'n school gekozen wegens de kleinschaligheid en de daarmee gepaard gaande overzichtelijkheid en grotere aandacht voor de leerling. Voorts hebben kleine scholen minder last van vandalisme en vervreemding dan brede scholengemeenschappen. Ten derde worden ouders aangetrokken door het homogene klimaat en de ongesplitste brugklassen.

Op een gymnasium leren alle kinderen vanaf de eerste tot en met de derde klas hetzelfde, terwijl er op een scholengemeenschap voortdurend gekozen moet worden. Ook het feit dat de kinderen in ieder geval de eerste drie jaar in dezelfde klas zitten geeft rust en duidelijkheid, iets dat in deze onrustige samenleving niet te versmaden is. Een vierde reden om voor het aparte gymnasium te kiezen is de aanzienlijk grotere doorstroming naar universiteit (en HBO). Ten slotte kunnen de gymnasia ook nog wijzen op betere eindexamenresultaten.

Al die factoren hebben dus geleid tot een run op de gymnasia, en wel in zo sterke mate dat sommige daarvan inmiddels meer dan duizend leerlingen tellen. Het Gymnasium Erasmianum in Rotterdam heeft er zo'n 1.100, het Stedelijk Gymnasium in Nijmegen 1.300 en het Stedelijk Gymnasium in Leiden 1.100.

Een ongehoord succes. Je zou denken dat de overheid, lees: het ministerie van Onderwijs, reuze in zijn nopjes is met deze positieve ontwikkeling. Hoe meer goed opgeleide mensen, hoe beter. Nederland wil zich profileren als kennisland, de universiteiten willen goed voorbereide studenten en de maatschappij heeft steeds beter opgeleide mensen nodig. Voor de overheid een reden om gymnasia te koesteren.

Niets is minder waar. Het categoriale gymnasium wordt in Nederland gedoogd – hoewel het woord tegengewerkt meer op zijn plaats is. De overheid heeft namelijk onverbiddelijk gekozen voor schaalvergroting en integratie en daarmee voor een stelsel van brede scholengemeenschappen. Deze keuze werd en wordt op diverse manieren doorgedrukt, ook al verzetten de betrokken scholen zich daartegen.

Als eerste maatregel werd kleinschaligheid door de overheid bestraft. Een subtiele manier van geldverstrekking heeft ervoor gezorgd dat kleine scholen financieel beduidend kwetsbaarder zijn dan grote scholen. Zo krijgt een brede scholengemeenschap voor iedere gymnasiast bijna 10 procent meer personeelsvergoeding dan een zelfstandig gymnasium. Wat doe je dan als klein gymnasium? Fuseren. Sedert 1970 zijn dan ook meer dan tien zelfstandige gymnasia noodgedwongen opgegaan in brede scholengemeenschappen.

Ook op andere manieren worden de gymnasia stevig tegengewerkt. De onstuimige groei van deze scholen heeft tot gevolg dat de schoolgebouwen te klein worden. Tegelijk staat de zo aantrekkelijke kleinschaligheid onder druk. Leerlingen weigeren is – zeker op openbare scholen – niet zomaar mogelijk. Het Erasmianum had daarom een andere oplossing bedacht: de school splitsen en elders in Rotterdam een dependance vestigen. Wat blijkt? Dit wordt niet toegestaan.

Met de dependancevorming is het namelijk als volgt geregeld: er bestaan in het woordgebruik van het ministerie twee soorten dependances: de dislocatie (dat is: tijdelijke huisvesting van piekaantallen) en de nevenvestiging. Een dislocatie op een afstand van minder dan drie kilometer mag zonder ministeriële toestemming worden geopend. Wil je een dislocatie op meer dan drie kilometer afstand, dan is toestemming nodig. Deze is mede afhankelijk van de situatie van de overige scholen in het gebied. Deze krijgen ongetwijfeld `last' van een gymnasiale dependance en dus zal waarschijnlijk geen toestemming gegeven worden.

Een brede scholengemeenschap daarentegen kan onder bepaalde voorwaarden wel een nevenvestiging in stand houden. Dit gold voor gebouwen die tot het moment van fusie in gebruik waren. Deze regeling zou gelden tot 1 augustus 2000, maar inmiddels ligt een voorstel voor verlenging en zelfs uitbreiding voor smalle scholengemeenschappen bij de Tweede Kamer. Want, zo meldt het ministerie, `nevenvestigingen zijn inmiddels een gewaardeerd instrument gebleken, waarmee ook binnen grote scholengemeenschappen een zekere kleinschaligheid kan worden gerealiseerd'. De overheid erkent dus het voordeel van kleinschaligheid – maar niet als het de gymnasia betreft.

Bij splitsing van scholen – een van de oplossingen die het Erasmianum had bedacht – is het vormen van categoriale voorzieningen eenvoudigweg verboden. Na eindeloos geharrewar met de gemeente zat er voor dit succesvolle gymnasium ten slotte niets anders op dan een uitbreiding en verbouwing op het bestaande terrein: ,,We kunnen alleen nog maar de hoogte in'', aldus een boze ouder, ,,en bouwen nu boven op de fietsenstalling.''

In Nederland zijn diverse gebieden waar geen zelfstandige gymnasia zijn, ofschoon er daar wel vraag naar is. Zulke `witte vlekken' zijn onder meer Twente, Maastricht en Almere en omgeving. Richt een gymnasium op, zou je zeggen. Neen, ook dat is onmogelijk. `In het kader van de vorming van scholengemeenschappen', zo decreteert de overheid, `is het ontstaan of versterken van categoriale scholen niet wenselijk.' Ja, zo weet ik er nog wel een: in het kader van het bevorderen van het wonen in flats is het wonen in huizen niet wenselijk.

Volgens deze regelgeving kon onlangs in Rotterdam wel de oprichting van een Islamitische Scholengemeenschap worden toegestaan – maar is een Erasmianum II in diezelfde stad verboden.

Het wordt tijd dat de beleidsmakers – van wie er ironisch genoeg diverse zijn met kinderen op zelfstandige gymnasia – inspelen op de vraag van de burgers, of de gymnasia de gelegenheid geven om dat te doen. Verder is een gelijke behandeling op het gebied van kleinschaligheid geboden. Een bijkomend voordeel is dat concurrentie tussen scholen de kwaliteit van het onderwijs positief zal beïnvloeden. En welke beleidsmaker kan daar tegen zijn?

Reinildis van Ditzhuyzen is lid van de oudercommissie van het gymnasium Sorghvliet in Den Haag.