Het oog van God

Maarten 't Hart las laatst de Bergrede, zo schreef hij in het Cultureel Supplement van afgelopen vrijdag. Hij vond wat hij las allemaal onzin. Hij foeterde over uitspraken als `Ziet toe, dat gij uw gerechtigheid niet doet voor de mensen, om door hen opgemerkt te worden, want dan hebt gij geen loon bij de Vader'. Dat gepraat over `loon' vond hij maar bekrompen. Alsof men goed deed om loon. Waarom zou het niet om niet zijn, belangeloos? Nu las hij het natuurlijk opzettelijk kwaaiig en dwars, want hij zal ook heus wel gezien hebben dat dat de bedoeling nu juist is: doe goed om niet, doe het om goed te doen, doe het niet om je aanzien bij anderen te verhogen. Dan zal ,,uw Vader, die in het verborgene ziet, [...] het u vergelden''. Maar 't Hart vond ook die in het vooruitzicht gestelde vergelding een vorm van winstbejag die de werkelijk goede vreemd zou moeten zijn.

Daar zit wat in. Toch is de voornaamste bewering van al die aanbevelingen in de Bergrede niet dat er altijd winst en loon moet zijn, maar dat men moet streven naar volmaaktheid, naar echte goedheid. En daarbij is het beeld van `loon bij de Vader' behulpzaam. Niet vanwege het loon. Maar omdat die `vader', die `in het verborgene ziet' de hoogste norm is, veronderstel je die, dan is er iets om daden aan af te meten, bedoelingen ook, gedachten. De Vader is een oog dat ziet, dat alles ziet.

Vaak lijkt dat me al genoeg, maar misschien zal menigeen het een beetje mager vinden, dat oog. Want wat heb je eraan, aan dat verborgen zien. Dan is er een oog dat ziet dat alles verkeerd gaat, nou en, verkeerd gaat het toch.

Het is wel een oud idee, dat van de god die ziet. De Indiase godheid Brahma, de schepper, wordt vaak afgebeeld als iemand met vier hoofden, zodat hij alle kanten op kan kijken. En in de Vedische mythologie is er, voordat er iets is, alleen maar geest, met daarin een oog. De rishi's, de zieners die er waren voor de goden er waren, voor de aarde en alles daaromheen er was, zijn en zien. Meer niet. Zij hebben ook de vedische hymnen `gezien'. Die zijn niet geschreven. Een prachtige voorstelling van zaken is dat. Roberto Calasso schrijft erover in zijn boek Ka, dat de verhalen uit de Indiase godenwereld vertelt en herneemt. Hij citeert de woorden van Atri, één van de zieners: ,,Onze ogen [...] hebben altijd gewaakt over wat er gebeurt. Dat iets gebeurt, is op zichzelf niets, maar dat iets gebeurt én wordt waargenomen, is alles.''

Die uitspraak doet denken aan Berkeley's beroemde `zijn is waargenomen worden'. Maar ook Van het Reve's veel geciteerde zin uit De Avonden: ,,Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven'' is er familie van. Van het Reve's Frits van Egters bidt trouwens ook met alleen maar het eenvoudige verzoek of God zijn ouders wil zien: ,,Wend uw blik niet af.'' Hij vraagt niet om wonderen. Alleen maar om een oog. En in Euripides' Hekabe zegt een bode die ontsteld is over het ellendige lot van Hekabe: ,,O Zeus, wat moet ik zeggen? Dat u de mensen ziet?/ Of dat men dat zomaar van u gelooft, vergeefs, en dat alles op de wereld door het toeval wordt bepaald?'' `dat u de mensen ziet'. Dat er een oog zou zijn.

Zonder oog is er, zegt deze bode `toeval'. Het oog is samenhang, alleen maar door te zien. Daar moet wel de vooronderstelling bij zijn dat dat oog alles ziet, dat het een geheel ziet waar wij losse eindjes zien. Er bestaat een verhaal, ik weet niet meer waar het vandaan komt, over een aantal blinden en een olifant. Elk van die blinden tast zijn deel van de olifant af en zegt daar wat over: `Het is zacht en beweeglijk.' `Het is onnoemelijk groot.' `Het is hard en dood.' `Het heeft prikkende haren.' `Het is lang en smal.' Ze krijgen ruzie, omdat hun waarnemingen zo helemaal niet met elkaar in overeenstemming zijn, ze verwijten elkaar dat ze het bij het verkeerde eind hebben. Ze hebben het natuurlijk allemaal goed, maar hun waarheid is maar een kleine waarheid. Hun waarheid is niet meer dan een deel van de olifant. Het oog dat de hele olifant ziet, ziet samenhang.

Zelfs over een deel van de olifant valt trouwens nog aardig van mening te verschillen. Iedereen heeft wel de ervaring van samen met een vriend of vriendin iets meegemaakt te hebben, laten we zeggen: haar tas is gestolen op straat. Naderhand vertellen we samen wat er gebeurd is. ,,Ze had die tas even op de grond gezet...'' ,,Nee ik had hem op de achterbak gezet'', ,,Goed dan, op de achterbak en toen kwam die man die gaf mij een duw...'' ,,Nee, toen had-ie die tas al.'' ,,En toen riep ik meteen: `Houd de dief'!'' ,,Nee, dat riep ik!'' Nooit valt meer uit te maken wat er gebeurd is. Twee waarnemingen van hetzelfde moment en ze kloppen niet met elkaar. Toch zijn ze alletwee heel duidelijk en zeker.

,,Niemand hoeft zich te verwijten dat hij in den blinde leeft'' schreef W.F. Hermans in Nooit meer slapen. We kunnen ons eigen leven niet overzien, we kunnen het alleen maar leven. Hermans is trouwens ook een schrijver die nogal eens een oog veronderstelt. Zij het een weinig goedgunstig.

Het mooiste beeld voor de onbeschrijfelijke samenhang heeft Jorge Luis Borges gegeven in zijn verhaal `De Aleph'. Een Aleph is `een van de punten in de ruimte die alle punten omvat'. De verteller, die ongelovig luistert naar een kennis die hem vertelt dat er zich onder zijn keldertrap zo'n punt bevindt, laat zich op een gegeven moment overhalen om in het donker op zijn rug in de kelder te gaan liggen. En ja, hij ziet de Aleph. `Hier begint mijn wanhoop als schrijver'. De Aleph is niet te beschrijven, want hij bevat alles en bovendien tegelijkertijd. Van iemands ingewanden tot een dageraad aan de Kaspische zee, van zeldzame eerste drukken tot complete steden, schaduwen van planten, alle sterren, spiegels, een kankergezwel, levenden die al dood zijn, de doden. Alles. ,,Ik zag jouw gezicht, en ik werd duizelig en moest huilen, omdat mijn ogen dat geheime, vermoede voorwerp hadden gezien, waarvan de mensen zich de naam toe-eigenen, maar dat door geen mens is aanschouwd: het onbevattelijke heelal.''

De Aleph is het oog én de olifant. En omdat dit een verhaal van Borges is, veronderstelt de verteller dat er nog een Aleph is, een echtere die in deze Aleph te zien zou moeten zijn, die hij gezien heeft zelfs, maar vergeten is. En wie er even over nadenkt, wéét dat er nog een Aleph is, want in de Aleph zou immers een man zichtbaar moeten zijn die onder een keldertrap ligt en kijkt naar de Aleph...

Borges en de Bergrede zijn een eind van elkaar verwijderd. Toch gaat zijn verhaal ook over `uw vader die ziet in het verborgene', de Aleph is daar een beeld voor. Niet voor een universele politieagent, die loon uitdeelt of juist onthoudt. Maar een blik waarin alles bestaat. Onverbloemd. In reusachtige samenhang. Dat die verteller van Borges, die natuurlijk ook Borges heet, het overleefd heeft, deze aanblik! Eigenlijk kan je daaraan zien dat het een verzinsel is. En toch is het waar.