Eens achterop, altijd achterop

Allochtone kinderen beginnen met aanzienlijk achterstanden aan het basisonderwijs. Scholen slagen er nauwelijks in daaraan iets te doen.

Dat allochtone leerlingen op school slechter presteren dan autochtone heeft niet één enkele oorzaak. Het is bijvoorbeeld niet alleen maar een kwestie van taal. Het Sociaal en Cultureel Planbureau signaleert in de vandaag verschenen Rapportage minderheden 1999 een hele trits oorzaken, waarvan de meeste met gerichte maatregelen zijn te bestrijden. Dat gebeurt echter onvoldoende.

Aan het eind van de basisschool scoren alle categorieën allochtone kinderen aanzienlijk slechter op Nederlandse taalvaardigheid dan autochtone kinderen. Die achterstand hadden ze al toen ze voor het eerst naar school gingen. Het blijkt dat Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse kinderen in groep zes even goed scoren op taaltests als Nederlandse kinderen in groep vier. Ze liggen dus twee jaar achter. De andere categorieën allochtonen liggen één jaar achter op Nederlandse kinderen. De soms gehoorde opvatting dat het Nederlands voor Antilliaanse kinderen geen probleem zou vormen, berust op een misverstand.

Nu ligt het voor de hand dat kinderen die thuis een andere taal dan Nederlands spreken niet zo goed Nederlands kennen als Nederlandse kinderen. Maar ook bij rekenvaardigheid beginnen vrijwel alle categorieën allochtone kinderen met een aanzienlijke achterstand aan het basisonderwijs. Opmerkelijke uitzondering vormen Chinese en Vietnamese kinderen, die vanaf groep zes zelfs beter rekenen dan Nederlandse. Antillianen scoren het slechts, en dat blijft zo gedurende hun hele basisschoolperiode.

De achterstand bij rekenen bedraagt voor de meeste categorieën allochtonen gemiddeld ongeveer één leerjaar. Die achterstand bij rekenen wordt in de loop van de schoolperiode kleiner, wat bij taal niet het geval was. Aangezien rekenvaardigheid exclusiever op schoolse kennis berust dan taalvaardigheid ligt dat ook voor hand. Overigens blijken allochtone kinderen wel aanzienlijk beter te rekenen en iets beter te zijn in taal dan tien jaar geleden. Ook bij autochtone leerlingen is sprake van een, zij het geringere, vooruitgang. ,,Het is dus denkbaar dat de kwaliteit van het basisonderwijs tussen 1988 en 1996 een zekere vooruitgang heeft doorgemaakt', concluderen de auteurs voorzichtig.

Gezien het voorgaande is het weinig verrassend dat allochtone leerlingen zowel op de Cito-toets aan het einde van de basisschool als op het advies voor het type voortgezet onderwijs lager scoren dan autochtonen. Met de verhouding tussen die twee is iets merkwaardigs aan de hand: in vergelijking met hun Cito-score krijgen allochtone kinderen een relatief hoog advies. Leerlingen uit minderheden krijgen in het algemeen een mavo- of havo-advies bij een prestatieniveau waarop autochtone kinderen een vbo- of mavo-advies krijgen. Voor het vwo is overigens geen sprake van deze `opwaardering' van allochtone kinderen.

Dat `voordeel' van de twijfel blijkt in de meeste gevallen niet terecht. Juist doordat veel allochtone kinderen naar gezien hun prestaties relatief hoog schooltype gaan, behoren ze ook in het voortgezet onderwijs tot de zwakkere leerlingen. Het is niet zo dat ze op de middelbare school en masse tot bloei komen. Het voortijdig schoolverlaten ligt bij allochtonen drie à vier keer zo hoog als bij autochtone leerlingen en de eindexamenprestaties zijn slechter.

Omdat de onderzoekers prestatiegegevens van vele duizenden leerlingen door de jaren heen tot hun beschikking hadden, konden ze ook uitspraken doen over de invloed van de school op die prestaties. De verschillen tussen basisscholen blijken groot. Leerlingen uit de minderheden op de vijftien procent beste scholen halen dezelfde prestaties als autochtone kinderen op de vijftien procent slechtste scholen. Met name Turkse en Marokkaanse kinderen lopen op de betere scholen een deel van hun reken- én taalachterstand in.

Gegeven het verschil in kwaliteit van basisscholen is het extra schrijnend dat bijna de helft van de Turkse en Marokkaanse kinderen een school bezoekt die wat het taalonderwijs betreft tot het slechtste kwart van het land behoort. Ook kinderen uit andere allochtone categorieën zijn oververtegenwoordigd op scholen met relatief slecht taalonderwijs. Bij rekenen zijn Turken en Marokkanen oververtegenwoordigd in scholen met zwak rekenonderwijs, voor de overige categorieën geldt dit niet. Wel zijn alle allochtonen ondervertegenwoordigd op scholen met het beste rekenonderwijs.

Er bestaat een duidelijk verband tussen de prestaties in taal en rekenen op een basisschool en het percentage allochtone leerlingen. Bij circa dertig procent allochtonen zakken de prestaties onder het landelijk gemiddelde. Sinds kort brengt de onderwijsinspectie systematisch in kaart in hoeverre scholen voldoen aan standaarden voor goed onderwijs, het zogeheten integraal schooltoezicht. Uit de eerste bevindingen daarvan blijkt, aldus het SCP, dat met name scholen met veel allochtone leerlingen tijdens hun lessen tekort schieten in ,,het effectief structureren van de les en de leerstof, het overdragen en het bevorderen van het gebruik van leerstrategieën en het systematisch volgen en bijwerken van leerlingen die achter raken'. ,,Het zijn precies deze aspecten van het onderwijs die voor leerlingen uit de minderheden extra verzorging behoeven', aldus het planbureau.

Niet alle gesignaleerde problemen zijn even gemakkelijk te verhelpen, constateren de auteurs op basis van de resultaten van tal van experimentele projecten. Zo blijken programma's die proberen ouders te ondersteunen bij de opvoeding van kinderen in de voorschoolse leeftijd, zoals Opstap, in het algemeen niet te resulteren in vermindering van de ontwikkelingsachterstand van die kinderen. Uit tot dusverre schaarse ervaringen blijkt dat programma's via peuterspeelzalen wél effectief kunnen zijn.

Behoorlijk wat winst valt te halen met verbetering van de kwaliteit van het onderwijs in de klas. De rapportage gaat met name in op de resultaten van het zogeheten kleinschalig experiment achterstandsbestrijding (KEA) op vier Rotterdamse basisscholen. Bij lezen en rekenen blijkt deze aanpak tot substantieel hogere scores van allochtone leerlingen te leiden. Vooral in technisch lezen is een spectaculaire vooruitgang te zien. Beter didactisch handelen van leraren is onvoldoende om de woordenschat van leerlingen bij te spijkeren. Die trekt niet vanzelf bij, zoals kennelijk veelal wordt gedacht, ook binnen scholen. Het SCP pleit er dan ook voor dat uitbouw van de woordenschat een grotere en meer specifieke plaats krijgt in het taalonderwijs. Al met al is het onderwijsbeleid, voor zover dat is gericht op de verbetering van de prestaties van allochtonen, onvoldoende toegespitst op de factoren die er werkelijk toe doen, aldus het planbureau.

Een einde maken aan de gewoonte om allochtone leerlingen een relatief hoog advies voor het voortgezet onderwijs mee te geven, is volgens de onderzoekers een eenvoudig te realiseren manier om de prestaties van allochtonen op de middelbare school te verbeteren.

Allochtonen

In de graphic bij het artikel Eens achterop, altijd achterop (in de krant van maandag 11 oktober, pagina 3) staan Tunesiërs, waar Turken zijn bedoeld.