De korte vriendschap tussen Lorca en Dalí

`Het poëtisch fenomeen in zijn volle gedaante, onopgesmukt, dook ineens in rauw vlees en bloed voor me op', schreef Salvador Dalí over zijn ontmoeting met Federico García Lorca (1898-1936). Het eerste deel van de tentoonstelling over Lorca, in de Antwerpse galerie Ronny Van de Velde, is gewijd aan de vriendschap tussen de schilder Dalí en de dichter Lorca, die van 1923 tot 1928 duurde. Ze ontmoetten elkaar in een studentenhuis in Madrid, waar ook de latere regisseur Luis Buñuel verbleef. Lorca had toen al enige faam gemaakt als dichter, in 1921 was zijn eerste bundel verschenen.

Het `poëtisch fenomeen' was ook onder de indruk van de jongere Dalí, die hij in 1926 eerde met een ode: `O Salvador Dalí met je olijfkleurige stem!/ Je verbeelding reikt tot waar je handen reiken'. Het manuscript van de ode is op de tentoonstelling te zien, evenals een kubistisch schilderij van Dalí uit 1924, Fles sodawater en fles rum, dat hij aan Lorca cadeau gaf.

De twee werden de eerste jaren verbonden door een sterke vriendschap, zelfs `liefde', zoals Lorca in zijn ode schrijft. Lorca was homoseksueel, Dalí deelde zijn angst voor de vrouwelijke seksualiteit maar kon niet volledig aan de verlangens van zijn vriend beantwoorden. Er zijn in Antwerpen alleen brieven en collages van Dalí aan Lorca te zien. De brieven van Lorca zijn verdwenen, zoals zoveel documenten die betrekking hebben op zijn geaardheid, wellicht door toedoen van de homofobe nabestaanden van de dichter.

Dalí verwijderde zich, onder invloed van de macho Buñuel, steeds meer van Lorca, en trok naar Parijs om deel uit te maken van de groep surrealisten. In een brief uit 1928, waarmee het gedeelte over de verhouding tussen de twee kunstenaars besluit, kritiseert Dalí Lorca's bundel Zigeunerromances. Hij vond deze ballades te traditioneel, Lorca had zich niet genoeg overgegeven aan het `irrationele'. Naar verluidt kon Dalí wel waardering opbrengen voor Lorca's tekeningen, die samen met manuscripten van gedichten en wat curiosa het hoofddeel van de tentoonstelling uitmaken. Die tekeningen hebben dan ook niets academisch, ze lijken met hun kronkelige lijnen geheel het product van spontane opwellingen.

Lorca's vroege tekeningen van clowns en heiligen, steeds gemaakt met Oostindische inkt en kleurpotlood, hebben iets kinderlijks. Zijn pogingen om stillevens te maken, zoals het kubistische Vieruurtje (1927), blijven onbeholpen. Kladblaadjes met droedels uit 1924 laten meer zien van die irrationaliteit waar Dalí zo op hamerde. Droedelen zou je kunnen zien als de beeldende pendant van het `automatisch schrift' van de surrealisten: een rechtstreekse uiting van het onderbewuste, zonder controle van de rede. Lorca schreef aan een vriend dat als hij tekende, zijn hand een soort autonomie verwierf en er onverwachte vormen op papier verschenen.

Lorca's tekeningen werden in de jaren dertig steeds vrijer, hoewel de invloed van Dalí nooit helemaal verdween. Op een van de laatste uit 1936, het jaar waarin hij werd vermoord door falangisten tijdens de Spaanse burgeroorlog, zijn afgehakte handen afgebeeld, waar bloed uitdruppelt. Die handen komen ook voor op tekeningen die Dalí in 1927 over zijn relatie met Lorca maakte, zoals Het strand (1927). Morbide genoeg ligt daarbij ook het afgehakte hoofd van de dichter op het zand.

In een vitrine ligt het paspoort waarmee Lorca in 1929 via Engeland naar de VS reisde. Uit zijn verblijf in New York zou later zijn bekendste bundel Dichter in New York voortkomen. De Brusselse fotografe Mirjam Devriendt reisde in 1998 met Lorca-vertaler Bart Vonck naar New York op zoek naar de beelden die in de bundel worden opgeroepen. De zwart-wit foto's tonen dreigende, onmenselijke gebouwen onder extreme hoeken – de overweldigende eerste indrukken van de Andalusiër die schreef dat `Amerika verdrinkt in machines en tranen'. Lorca trok zich het lot van de zwarte bevolking erg aan; zijn `Ode aan de koning van Harlem' is een aanklacht tegen de onderdrukking, die de zwarte koning tot een `gevangene in portierslivrei' maakt. Devriendt vond bij dit beeld een hele mooie foto, van een oudere zwarte portier die met een intens treurige blik in de verte kijkt.

Tentoonstelling: Federico García Lorca. Galerie Ronny Van de Velde. IJzerenpoortkaai 3, Antwerpen. T/m 14 november, di-zo 10-18u. Catalogus 1950 Bfr. Inl. 03 216 30 47.