Boulez toonloos, Schnittke gloeit

Als er al een scharnier in de 20ste eeuw bestaat waarin alles omklapt en totaal verandert, dan in de drie jaren tussen Pierre Boulez' Livre pour quatuor (1948) en het Premier Livre (1951) uit de Structures pour deux pianos. Het lezen van Mallarmé's Le Livre en vooral de ideeën over een diepere structuur achter de woorden inspireerden de componist tot het zetten van de beslissende stap in de strengst denkbare serialiteit.

Zaterdag dirigeerde Philippe Auguin het Radio Filharmonisch Orkest in Boulez' Livre pour cordes uit 1998, een uitvergroting van het op 23-jarige leeftijd in 1948 begonnen strijkkwartet. Orkestraties van de delen 1a en 1b (er ontstonden reeds zes delen) dateren van 1968 en 1989. Het probleem is dat de sierlijke snelle arabesken in een massale bezetting vervloeien. En dat was ook nu het geval. Bovendien moet Auguin het in de eerste plaats hebben van dramatische spankracht. Verfijnd musiceren ontaardt bij hem in een toonloos zacht laten spelen, terwijl Boulez altijd streeft naar het trés claire. Typerend waren de hoorns aan het eind van Debussy's Prélude à l'après-midi d'un faune. Nooit hoorde ik ze zo wezenloos zacht, de laagste stem in de strijkers er in een wanverhouding hard bovenuit klinkend. Echter, vanaf bladzijde 27 van Boulez' Livre wist de dirigent de muziek die steeds expansiever wordt beter in zijn greep te krijgen.

Alles kun je van Boulez zeggen maar niet dat hij zoetige muziek schrijft. Ik vond dan ook de combinatie met Reynaldo Hahns Vioolconcert weinig voor de hand liggend. Hahn schrijft zoetige liederen zoals blijkt uit het dweepzieke om niet te zeggen weeïge middendeel. Violiste Natasja Korsakova bezit geen sterke toon, maar deed het gevoileerde karakter des te beter uitkomen.

Dweepziek en gevoileerd is nu niet bepaald het eerste waar je aan denkt bij Schnittke's door en door krachtige muziek. Dinsdag hielden Irina Schnittke, Oleg Krysa die inviel voor de zieke Mark Lubotsky en Alexander Ivasjkin in muziekcentrum Vredenburg een meer dan overtuigend pleidooi voor Schnittke's kamermuziek. Na het catastrofaal vernietigende slot uit de Tweede pianosonate (1992) ben je toe aan een glaasje water, daar kan alleen een pauze of het einde van een concert op volgen.

Helaas was het eerste concert zaterdagavond met dezelfde Russen in de serie Millenniumproof van het Concertgebouw programmatisch maar een rommeltje: de helft van het programma bleek gewijzigd. Desalniettemin vormde evenals in Vredenburg Schnittke's Pianotrio uit 1992 het hoogtepunt. Oorspronkelijk als strijktrio bestemd voor de viering van Alban Berg's 100ste geboortedag wist Irina haar man over te halen tot een nieuwe bezetting, er ontstond zelfs een versie voor kamerorkest. Het gaat daarbij niet om de sfeer, maar om de vernietiging ervan. Dat is precies wat er gebeurt met de recycling van Weense muziek in het trio, Schubert wordt letterlijk verpulverd.

Nikolaj Korndor,f in een Passacaglia voor cellosolo (1998), jengelend, krakend, fluisterend en fluitend, fascineert slechts bij vlagen. Maar in Peteris Vasks' Een Boek voor cellosolo uit 1988 broeit en gloeit het als bij Schnittke. Alexander Ivasjkin verdween als het ware in zijn cello, zoals de cello verdween in Dostojevskiaans pakkend proza.

Concert: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Philippe Auguin, werken van Boulez e.a. Gehoord: 9/10 Concertgebouw Amsterdam. Uitzending Radio 4: 13/10.

Concert: Irina Schnittke, piano, Oleg Krysa, viool en Alexander Ivasjkin, cello. Werken van Schnittke e.a. Gehoord: 9/10 Concertgebouw Amsterdam. Opname VPRO voor latere uitzending.