Verantwoordelijkheden

ZELDEN WAS DE provinciale politiek zo opwindend als de afgelopen weken. De Zuid-Hollandse bankiersaffaire maakte van anonieme provinciale bestuurders nationale beroemdheden. Leemhuis-Stout, Heijkoop, Wolf – het waren de namen die deze week het politieke nieuws bepaalden. Heel even stonden zij in het felle licht van de schijnwerpers, op weg naar hun weinig glorieuze aftocht via de zij-ingang.

Het is begrijpelijk dat dit bij de betrokkenen een katterig gevoel achterlaat. Nooit was er aandacht voor hun noeste arbeid om de provinciale publieke zaak te dienen. In de categorie onbegrepen bestuurslagen, neemt de provincie vanouds een prominente plaats in. De miserabele opkomst bij de verkiezingen voor de provinciale staten is daarvan een uiting. Maar met een affaire weten de media – en daarmee het grote publiek – het provinciaal bestuur razendsnel te vinden om er vervolgens ook hard over te oordelen. Onbarmhartig voelt het wellicht aan, maar daarmee is de publieke opinie nog niet gediskwalificeerd.

Toch lijkt dat laatste het geval bij de inmiddels vertrokken bestuurders. Het was met name commissaris van de koningin Leemhuis-Stout die afgelopen woensdag, in wat achteraf haar afscheidstoespraak bleek te zijn, uitgebreid stil stond bij de ontstane beeldvorming over haar persoon. Ze was naar eigen zeggen ongewild en soms onterecht veel in het nieuws geweest. Er was daarbij volgens haar een toonzetting gekozen die weinig ruimte bood voor analytische objectivering, terwijl beelden en percepties stevig werden neergezet. De ophef over haar persoon is voor Leemhuis een belangrijke reden geweest om haar ontslag aan te bieden.

HET IS NU JUIST deze redengeving die het vertrek van de commissaris een wat wrange smaak geeft. Want hiermee wordt toch weer niet de volle verantwoordelijkheid genomen voor wat er is misgegaan. Natuurlijk, de commissaris valt niet alles te verwijten, integendeel zelfs. In het rapport van de onderzoekscommissie-Van Dijk is aangetoond dat het op belangrijke momenten commissaris Leemhuis was die de grootste twijfels had over de voorgenomen bankiersactiviteiten. Maar dat kan allemaal niet wegnemen dat het ontoelaatbare handelen, ondanks de bijzondere staatkundige positie die de commissaris der koningin inneemt, toch onder haar leiding is gebeurd.

En daarmee komen we op het in Nederland altijd zo beladen punt van het nemen van verantwoordelijkheid. Op het eerste gezicht lijkt er deze week in Zuid-Holland nu eindelijk eens te zijn gebroken met de cultuur van bestuurders die maar niet van wijken willen weten. Het vertrek van vier bestuurders als gevolg van aangetoond falen is geen slechte score. Maar was er nu werkelijk sprake van het royaal nemen van verantwoordelijkheid of was het toch meer een vertrek omdat men niet anders kon? Het feit dat alle bestuurders zijn opgestapt nog voordat de vergadering van provinciale staten een oordeel had kunnen vellen, zegt eigenlijk al genoeg. Bestuurders zijn in Nederland gekozen of benoemd. Het eindoordeel over bestuurders berust dan ook bij de kiezers of de benoemers. Dit oordeel is in het geval van Zuid-Holland uiteindelijk toch niet volledig gerealiseerd. Waardoor het terugtreden van de diverse bestuurders, en de manier waarop dit gebeurde, iets onbevredigends houdt.

HET NEMEN VAN verantwoordelijkheid blijft ook buiten Zuid-Holland een probleem. Niet voor niets woedt momenteel in de Haagse burelen het debat over de inhoud van de ministeriële verantwoordelijkheid in alle hevigheid. Daarbij gaat het om de vraag in hoeverre een bewindspersoon ten volle kan worden aangesproken op het doen en laten van zijn ambtenaren. De volgende vraag is of zo iemand daar dan ook de uiterste politieke consequenties aan dient te verbinden. Maar het is in de praktijk juist deze laatste zo beladen politieke consequentie, die het gesprek over alle daaraan voorafgaande vragen bijna onmogelijk maakt. Het steeds terugkerende misverstand is dat het nemen van verantwoordelijkheid ook gelijk wordt gesteld met een strafexercitie. Zolang die twee zaken met elkaar worden verward zal het dragen van politiek-bestuurlijke verantwoordelijkheid met de nodige krampachtigheid gepaard blijven gaan. Niet omdat de regels onduidelijk zijn, maar omdat de politiek er geen raad mee weet en de voorkeur geeft aan een eigen interpretatie. Dat is de afgelopen jaren aan het Binnenhof vaak genoeg gebleken.

Deze week leek men er in het verderop gelegen Provinciehuis meer van begrepen te hebben. Maar het had nog zoveel beter gekund. Er valt nog veel te leren in Den Haag.