`Tien miljoen is geen bedrag'

Maandag buigt de Vaste Kamercommissie zich over het Wetenschapsbudget 2000. NWO-voorzitter Van Duinen prijst de minister om zijn frisse ideeën over autonomie en vernieuwing. `Maar de budgettaire consequentie van die scherpe analyse is buitengewoon teleurstellend.'

`HET IS VOOR onze concurrentiepositie van doorslaggevend belang dat we in Nederland een waanzinnig goede kennisinfrastructuur in stand houden. Dat kan alleen als er flink geïnvesteerd wordt in vernieuwing van wetenschappelijk onderzoek. Op gebieden als bio-informatica en nanotechnologie moeten we goede mensen opleiden, ons aan het front roeren, een venster hebben op wat elders in de wereld gebeurt. Dat is goed voor de economie, zo'n kennismotor maakt dit land tot een prima vestigingsplaats voor internationale onderzoeksactiviteiten.''

In zijn Haagse werkkamer blikt dr. R. van Duinen, voorzitter van de Nederlandse Organisatie van Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), alvast vooruit op komende maandag, wanneer de Tweede Kamer zich buigt over het Wetenschapsbudget 2000. Voor dat beleidsdocument, dat afgelopen juni onder de titel Wie oogsten wil moet zaaien is gepresenteerd en dat de kabinetsplannen voor het wetenschappelijk onderzoek ontvouwt, kreeg minister Hermans van alle kanten lof toegezwaaid. Dat kwam omdat hij in tegenstelling tot zijn dirigistische voorganger Ritzen de instellingen autonomer wil laten opereren. Ook breekt Hermans in zijn nota een lans voor fundamenteel, risicovol, op vernieuwing gericht onderzoek. Van Duinen: ``NWO staat met een beperkt budget van 640 miljoen voor een paar belangrijke keuzen: waar gaan we onze aandacht op richten. De sfeer die de minister met zijn Wetenschapsbudget 2000 creëert ervaren we als positief.''

Hoe staat het Nederlandse onderzoek er voor?

Van Duinen: ``We behoren tot de tien belangrijkste naties ter wereld. De kwaliteit is hoog, we publiceren veel, we worden vaak geciteerd en we grossieren in octrooien. Die positie danken we aan investeringen in het verleden. Tegelijk is er reden tot zorg. De leeftijdopbouw van de onderzoeksstaf is onevenwichtig. Als gevolg van de enorme groei in de jaren zestig en zeventig is er sprake van een sterke vergrijzing. Binnen acht tot tien jaar gaat 25 à 30 procent van de wetenschappers aan de universiteiten met pensioen. Die plaatsen moeten straks worden opgevuld, maar voorlopig zit de zaak verstopt en rijgen talentvolle postdocs wanhopig contract aan contract zonder veel kans op een vaste aanstelling. Je kunt die mensen niet eeuwig laten dobberen, dat is onmenselijk en fnuikend voor iedere motivatie. Er zal iets moeten gebeuren, je zult perspectief moeten bieden. Anders ben je ze kwijt als je ze straks echt nodig hebt.''

Is het met de creatieve ruimte van de onderzoeker inderdaad zo slecht gesteld als Hermans zegt?

``Kijk je naar de totale onderzoekscapaciteit, dan valt op dat die ondanks de bezuinigingen van de afgelopen jaren bepaald niet drastisch is afgenomen. Dat komt doordat aan de universiteiten het aandeel contractonderzoek inmiddels tot zo'n dertig procent is opgelopen. Dat is over het algemeen kortademig werk, uitzoekklussen zonder veel diepgang. Ongetwijfeld werken zulke opdrachten door op de rest van het onderzoek, zodat we ons zorgen moeten gaan maken over de kwaliteit. Er zal iets moeten gebeuren om die tendens te keren. Daarom vraagt NWO in haar meerjarenplan 2000-2004 extra aandacht voor vernieuwing van het onderzoek èn voor het koesteren van talent. Beide thema's keren in het Wetenschapsbudget 2000 terug.''

Direct bij zijn aantreden blies Hermans de omstreden overheveling van 500 miljoen aan onderzoeksgelden van de universiteiten naar NWO af. Hoe erg is dat?

``Dat is hier niet zo fijn gevallen. In vergelijking met zusterinstituten in het buitenland zijn de middelen van NWO beperkt, het moet en kan meer. Je ziet nieuwe vakgebieden – cognitiewetenschappen, biomoleculaire informatica – ontstaan waarvoor geldt dat de tijd rijp is er fors in te investeren: in mensen, in installaties, in faciliteiten. Doen we dat niet, dan dreigen we in Nederland de boot te missen. Zulke investeringen kun je beter niet over het hele universitaire landschap spreiden, je zult effectieve keuzes moeten maken. NWO bewaart afstand tot de universiteiten en hakt op basis van de kwaliteit van de ingediende voorstellen knopen door. Op een gegeven moment ontkom je niet aan schaalvergroting, moet je de stap zetten om activiteiten te concentreren rond een instituut, rond individuen, rond bepaalde apparatuur. Het gaat om het creëren van slagkracht, zorgen dat je in dat internationale onderzoeksveld Nederland op de kaart krijgt.''

Minister Hermans wil het fundamentele onderzoek stimuleren met een zogeheten Vernieuwingsimpuls. Aan nieuw geld is daarvoor 10 miljoen gulden beschikbaar, en dat pas vanaf 2003. Wat vindt u van dat bedrag?

``De minister stelt dat krimpende budgetten, een toenemende bureaucratie, de roep om maatschappelijke relevantie, de opmars van het korte-termijndenken en een schreeuwend gebrek aan doorstromingsmogelijkheden voor jong talent het fundamentele onderzoek in dit land steeds meer onder druk zetten. Laat de onderzoeker onderzoeken, zegt hij. Geef hem de creatieve ruimte. Het is een glashelder betoog dat in zijn analyse moeilijk scherper had gekund. Maar de budgettaire consequentie die de minister vervolgens trekt is buitengewoon teleurstellend. De impuls moet 75 miljoen gaan bedragen. Daarvan wordt 50 miljoen opgebracht door NWO en de universiteiten. De rest komt van het ministerie en daarvan is 10 miljoen echt nieuw geld. Dat is geen bedrag, daarvan kun je nauwelijks nieuw talent aanstellen. Als het bij dit bod blijft moeten we ons beraden of we daarvoor wel uit de startblokken willen komen.''

Voor hoeveel miljoen doet u dat wel?

``Samen met de universiteiten en de Akademie van Wetenschappen hebben we de minister voorgesteld de Vernieuwingsimpuls op te pompen tot 150 miljoen. Daarvan zou 50 miljoen uit Zoetermeer moeten komen – toch geen verschrikkelijk hoog bedrag. Dan doe je tenminste iets substantieels. De Vaste Kamercommissie moet maandag met de minister aan tafel afwegen of lange-termijninvesteringen in de kennismaatschappij binnen de begroting van OC&W geen hogere prioriteit zouden moeten hebben.''

Hoe zou NWO de Vernieuwingsimpuls willen invullen?

``Onderzoek is mensenwerk. Wie op een bepaald terrein eenmaal een positie heeft ingenomen, inclusief internationale contacten, zal proberen die vast te houden. Crick mag na zijn opheldering in 1961 van de DNA-structuur zijn omgezwaaid naar hersenonderzoek, de huidige onderzoeker is nauwelijks te porren voor zo'n switch. Dat is geen wonder. De bezuinigingen hebben tot verstarring geleid. De mensen willen hun productiviteit op peil houden – daar worden ze op afgerekend. Je inwerken in een totaal ander vakgebied kost vijf, tien jaar en in het huidige systeem van visitaties is zo'n periode van improductiviteit fataal. Toch zou je deze vergrijzing en verstarring willen doorbreken, mensen en middelen vrijmaken voor onderzoekslijnen die nu nog niet op de agenda staan. Wat zou mooier zijn als we jong talent aan nieuwe, spannende onderzoeksthema's kunnen zetten? Dat is waar de Vernieuwingsimpuls volgens NWO om draait.''

Bij NWO is sinds het verschijnen van de nota `Kennis Verrijkt' in 1995 het accent verlegd van `curiosity driven', monodisciplinair onderzoek naar maatschappelijk gestuurd, multidisciplinair onderzoek. Bestaat er geen risico dat de zaak doorschiet? Kan de individuele wetenschapper met een wild project nog wel bij NWO terecht?

``Die koersverandering is doelbewust beleid. Voor die verschuiving is extra geld vrijgemaakt, de zeven gebiedsbesturen van NWO is gevraagd met voorstellen in die richting te komen. Dat werkt, we zijn flink opgeschoten. Zelfs zo dat het nu wel genoeg is. De verhouding tussen probleemgestuurd onderzoek en curiosity driven onderzoek is inmiddels fifty-fifty en dat kan wat ons betreft zo blijven. Hetzelfde geldt voor de verhouding tussen mono- en multidisciplinair. Door de recente reorganisatie bij NWO, waarbij 7 gebiedsbesturen de taak hebben overgenomen van 27 zelfstandige stichtingen, zijn de schotten verdwenen en is het veel makkelijker projecten te entameren waarbij de inzichten van het ene vakgebied toepassing vinden in het andere. Instrumenten uit de natuurkunde worden nu ingezet bij biologie. In de taalwetenschap zie je interactie tussen taallogica en de klassieke taalwetenschap. Dit soort grensonderzoek neemt toe, daar zet NWO doelbewust op in, het zijn hefbomen die door alles heenlopen en zo veel in beweging zetten.''

Loop je bij sterke programmering niet het risico dat kwalitatief goed onderzoek, bijvoorbeeld in de humaniora, buiten de boot valt omdat het nergens in past?

``Zeker, daarom gaat meer programmering bij ons hand in hand met ruimere mogelijkheden voor de individuele onderzoeker. Er zijn Spinoza-premies voor gevestigde toponderzoekers en pionierprogramma's voor aanstormend talent dat op weg naar een hoogleraarspositie een eigen onderzoeklijn mag opzetten. Naast maatschappijgestuurde programma's over sociale cohesie, dyslexie of mobiliteit moet er ruimte zijn voor het gekke, briljante idee van het individu dat zijn kunnen heeft bewezen. NWO wil evenwicht. Maar met 20 procent van het totale Nederlandse wetenschappelijke onderzoek in portefeuille kun je niet alles doen. De universiteiten, die toch het meeste te besteden hebben, zijn verantwoordelijk voor het instandhouden van een humuslaag waarin kiemen van wetenschappelijke vernieuwing de kans krijgen tot wasdom te komen.''

NWO moet vraaggerichter opereren, vindt de minister. Bent u een gedweeë uitvoeringsorganisatie van OC&W?

``Altijd is er discussie over de plaats van NWO ten opzichte van het ministerie. Geen politicus zal ons willen voorschrijven welk kankeronderzoek voorrang moet krijgen. Op microniveau is sturing een illusie, de wetenschapper aan het front maakt daar de dienst uit. Maar bij de beantwoording van de vraag welke gebieden van onderzoek prioriteit moeten hebben, of er meer geld naar de humaniora en de sociale wetenschappen moet, kan de politiek zich wel degelijk laten gelden. Dat kan van de minister komen, of van de Kamer – het geld komt tenslotte van de belastingbetaler. Of NWO op die suggesties ingaat hangt sterk af van onze eigen bevindingen. Zo is bij ieder gebiedsbestuur een maatschappelijke adviesraad actief. Bij beslissingen over strategie en tactiek fungeert die als klankbord.''

Het deel van het bruto binnenlands product dat de Nederlandse overheid aan onderzoek besteedt daalt gestaag, van 1,11 procent in 1987 tot 0,83 in 1999. En deze kabinetsperiode zet de neergang door tot 0,76 procent in 2003. Geen solide basis voor een kenniseconomie.

``Percentages zeggen niet alles. Als het goed gaat met het land, zeg een bruto binnenlands product dat jaarlijks stijgt met 4 procent, dan zou je het als overheid slecht doen als de onderzoeksuitgaven met 3 procent stijgen. Dat gaat me toch te ver, liever kijk ik naar het absolute niveau. Vernieuwing, slagkracht, specialisatie, concentratie – dat zijn redenen om het fundamentele onderzoek ter harte te nemen, niet percentages. Het is de taak van de overheid condities te scheppen waarbinnen onderzoek goed kan gedijen.''

Wetenschap staat of valt met de aanwezigheid van een draagvlak in de maatschappij. Communiceert u genoeg?

``Dinsdagavond hadden we in Nieuwspoort de eerste NWO-soeplezing. Moleculair bioloog Ronald Plasterk vertelde aan een publiek van Kamerleden over zijn werk, onder het genot van een broodje en een kop soep. Veelzeggend waren zijn ervaringen met taxichauffeurs. Vindt de Amerikaanse of Duitse taxichauffeur biologie een interessant vak en wil hij graag weten wat de deskundige op zijn achterbank van genetisch gemodificeerd voedsel vindt, zijn Nederlandse collega komt niet verder dan `whoe' en `griezelig hoor'. Het zou geweldig helpen als de positie van het onderzoek in onze economie in brede kringen werd onderkend, maar de communicatie naar het grote publiek laat vooralsnog een hoop te wensen over.''