Splat

Gisteren nam ik een van alle drie de soorten tomaten die ik kweek en liet ze van schouderhoogte op de keukenvloer vallen. Ik verwachtte dat ze open zouden barsten – splat – maar de gevolgen waren minder spectaculair: twee waren gespleten en een had niets. Deze proefneming was geïnspireerd door een artikel in de Irish Times, waarin stond dat `in de VS een van de eerste eigenschappen waar commerciële tomatensoorten over moeten beschikken het vermogen is om van vijf voet hoogte te vallen zonder te barsten'. Kan dat waar zijn? Is er voor enige andere vrucht of groente een test denkbaar die hun aard zo duidelijk geweld aandoet? Is dit hoe de kokosnoot is ontstaan? Geen wonder dat sommige mensen zich zorgen maken over genetisch veranderd voedsel; niet zozeer de uitwerking op het milieu is het zorgwekkende, maar de angst dat de kwekers er uiteindelijk in zullen slagen alle smakelijke karakteristieken te elimineren, ons achterlatend met iets dat er zo uitziet als een tomaat maar even gemakkelijk kan worden geoogst, vervoerd en verkocht als wanneer hij van plastic was gemaakt.

De niet-barstende tomaat was een Italiaanse variëteit, `San Marzano', die in Nederland vreemd genoeg `pomodoro' wordt genoemd. De reden dat hij niet barstte is dat er niet veel sap in zit (ideaal voor pizza's en tomatensaus). De wel barstende waren kerstomaten, `Gardnener's Delight' (of `Gartenfreude') en `Sungold' genaamd, allebei heel sappig. Het leek een zondige verspilling ze op die gewelddadige manier op de keukenvloer uiteen te laten spatten. Maar misschien verklaart het waarom je deze soorten nooit in de winkel ziet – ook de San Marzano niet trouwens, die stukken beter is dan enige `pomodoro' die ik ooit bij de kruidenier heb gekocht.

Het lezen van een boek dat iemand anders mooi vindt, kan een teleurstelling zijn, maar het is geen ramp: als je er niets in ziet stop je gewoon. Maar met tomaten telen is dat anders, je ben sterk van mening dat het werk tussen het zaaien in april en het proeven in augustus maar beter de moeite waard kan zijn. Met `Sungold', aanbevolen door zowel Christopher Lloyd (die hem de best smakende noemt die hij ooit in Engeland is tegengekomen) en Beth Chatto, was het dat eigenlijk niet. Het is een klein oranjekleurig tomaatje met een nogal dikke schil (hij scheurt desondanks open op de keukenvloer, en soms ook al aan de plant) en met een opmerkelijke smaak, ontzettend zoet maar eigenlijk niet als een tomaat. Meer als een tomatenbonbon, als dat het woord is, en in welk gerecht je ze zou kunnen verwerken zou ik niet weten. Ze zijn alleen maar goed om zó te worden gegeten, warm, direct van de plant – en dan nog is `Gardener's Delight' mij liever.

De planten van de `Sungold' zijn zelf onaantrekkelijk, spichtig en de meest fanatieke `dieven' die ik ooit heb gezien. Als je even niet oplet groeien ze weer aan als de koppen van de Hydra; vreemd hoe sommige variëteiten van een overigens bewonderenswaardige plant iets kunnen hebben dat tegenstaat.

Er zijn twee heesters die ik altijd gewild heb, en waarvan ik altijd heb gedacht dat ik ze mijzelf niet toe kon staan: één is de caryopteris en de ander de ceanothus. Ze zijn allebei blauw en bloeien laat in de zomer; jarenlang heb ik ze in feite voor één en dezelfde plant aangezien; ik wist niet zeker of ik me blij of treurig voelde toen ik ontdekte dat het verschillende planten waren.

De reden dat ze niet mochten is dat ze een warme plaats nodig hebben en volle zon. Volle zon is er wel in mijn volkstuin, maar het is er ook nogal onbeschut en gevoelige planten hebben de neiging daar spoorloos te verdwijnen. Toch zal de caryopteris die ik nu heb daar op den duur naartoe moeten, maar intussen geniet ik zoveel als ik kan van hem, zoals hij daar staat in zijn pot, in de volste zon die ik hem kan geven. En ik hoef mij niet schuldig te voelen, want ik heb hem cadeau gekregen, een schitterende Caryopteris x clandonensis `Heavenly Blue'. Er zijn een heleboel manieren om een tuinier gelukkig te maken, maar ze een plant geven die ze zich uit edelmoedigheid altijd ontzegd hebben, is bepaald een van de beste.

Deze caryopteris heeft lichtblauwe bloemen en hij was nog niet in de tuin of alle bijen uit de buurt hadden elkaar al gewaarschuwd. Sindsdien is er altijd een ijverige zwerm omheen. Hij heeft een zwierig, zonnig uiterlijk, met heel frisgroene bladeren, die een beetje verkreukeld zijn en sterk geuren. Er alleen maar in het voorbijgaan langs te schuren maakt al duidelijk wat de bijen er in zien en hoe ze de weg naar hem vinden. Het is een discreet soort heester, die niet veel groter wordt dan een meter, en een neiging heeft af te sterven in de winter. De Amerikaanse tuinschrijfster Eleanor Perényi, in Green Thoughts schrijvend over lastige blauwe bloemen (zoals zij zegt: `aan frustrerende blauwe vaste planten is geen gebrek'), noemt hem `a maddening little shrub'. Ze blijft proberen: `Drie caryopteris werden hier ondergebracht en vertrokken al gauw naar een betere wereld.' De hare stierven af in de winter, precies zoals in de boeken staat, en lieten het daarbij: ze kwamen niet meer terug.

Wat er van de mijne zal worden is in de schoot der goden. Voorlopig staat hij nog naast een woud van kattesnorren, Cleome hassleriana, een schitterende combinatie. Het zachtere blauw van de caryopteris past perfect bij het rose van de kattesnor, het doet denken aan een aquarel uit de jaren dertig van een border. Dat is ook waar ik aan dacht toen ik droomde van een caryopterix, en zelfs als blijkt dat het niet langer dan één herfst heeft geduurd, zal het de moeite waard zijn geweest.