Schaarste in de zorg 1

Gezondheidszorg is een schaars goed; we hebben er steeds meer van, maar de vraag weet het aanbod steeds weer te overtreffen. Als gevolg van die schaarste komen mensen in de verleiding om veel zorg voor zich zelf op te eisen, zonder zich de vraag te stellen of ze daar nou echt beter van worden.

`Wie er ook slachtoffer wordt van de schaarste, ik zal het niet zijn', lijkt de redenering.

De recente gebeurtenissen in het AZU (NRC Handelsblad, 2 oktober) zijn hiervan een extreem voorbeeld.

Zes weken op de IC, terwijl dat medisch in dit geval volstrekt zinloos was. Asociaal gedrag, uitgelokt door schaarste. Wat echter zorgelijk is, is dat hierdoor de schaarste alleen maar erger wordt.

Enerzijds door het feitelijk gebruik van zorg, anderzijds door een afnemende politieke bereidheid om nog meer geld aan de zorg te besteden. Waarom zou je dat immers doen, als men er niet in slaagt om de zorg op een zinvolle manier in te zetten?

De vraag die nu aan de orde is, is of deze spiraal doorbroken kan worden. Misschien door het inzicht dat dit toch niet de manier is waarop men z'n laatste levensfase zou willen doorbrengen: in strijd verwikkeld met de ziekte, in strijd verwikkeld met diegenen die bij uitstek de kennis en vaardigheden bezitten om in zo'n situatie pijn te verzachten en het leven draaglijk te maken (palliatie i.p.v. curatie).

Berusting, verzoening met de dood, het zijn begrippen die niet meer passen in een tijd waarin we vastberaden ons lot in eigen hand nemen.

En toch, het voorval in het AZU doet de vraag rijzen of we daarmee ons zelf niet te kort doen. In dat opzicht mogen we de hoofdspelers in dit drama dankbaar zijn voor het tonen van de volstrekte uitzichtloosheid van hun opstelling. In elk ander opzicht verdient hun opstelling een krachtige maatschappelijke afkeuring.