Roep de winti op

De bosnegers in het Surinaamse regenwoud zijn de dupe geworden van de onenigheid tussen Nederland en Suriname. Maar hulp van buitenaf lost niet alle problemen op. Het ontbreekt de marrons aan zelfkennis en gevoel van eigenwaarde.

Een doordeweekse avond in Paramaribo. Ergens in het centrum van de stad houdt een groep bosnegers een rouwceremonie. Een katholieke voorganger leidt van onder een golfplaten afdakje een herdenkingsdienst die zich tergend langzaam voortsleept. De aanwezigen maken een sjofele indruk.

Na afloop van de dienst gaat de knop radicaal om. Onder het golfplaten afdak worden trommels neergezet, drummers nemen hun plaatsen in, danseressen met rinkelbanden om hun enkels beginnen aanstekelijk met hun heupen te draaien. Een van de trommelaars trekt een oude vrouw in de kring, zet haar op een stoel en bootst met suggestieve bewegingen de geslachtsdaad na. Het publiek gilt, de oude vrouw ook. Een andere trommelaar dreigt buiten zichzelf te raken. Van christelijke sentimenten valt niets meer te bespeuren, de geest van het animisme is losgebroken uit zijn schuilplaats. Is dit Suriname? Of ben ik in de diepten van een heel oud Afrika getuimeld?

Bosnegers of marrons zijn de nazaten van zwarte Afrikanen die in de tijd van de slavernij de plantages ontvluchtten. Aangezien het regime van de blanke meesters weinig zachtzinnig was, waren ontsnappingspogingen aan de orde van de dag: naar schatting liep ruim tien procent van alle slaven weg. Een deel van hen bleef in de nabijheid van de plantages rondhangen en keerde na verloop van tijd uit eigen beweging terug. De meer rigoureuze vrijheidszoekers volgden de grote rivieren stroomopwaarts naar het zuiden en stichtten onderweg hun eigen gemeenschappen.

Anders dan de marrons in Brazilië of op Jamaica hebben de Surinaamse bosnegers altijd in relatieve afzondering geleefd, ver van de bewoonde wereld. Doordat ze niet zijn opgegaan in de rest van de bevolking bevat hun cultuur nog tal van Afrikaanse elementen. Zo doet zich de merkwaardige situatie voor dat het Surinaamse regenwoud een traditioneel stukje Afrika bevat, dat nauwelijks aansluiting heeft met de rest van de bevolking. Hindostanen en creolen beschouwen de cultuur van de bosnegers over het algemeen als `primitief' en hebben nog nooit een voet in het binnenland gezet. Hoewel de marrons met 35.000 personen zo'n acht procent van de Surinaamse bevolking uitmaken, onttrekt hun bestaan zich goeddeels aan het oog van de buitenwereld.

Heilige huisjes

In het kielzog van ambtenaar-in-functie Bernard Konoe reis ik naar het binnenland. Konoe is een marron die voor het ministerie van Regionale Ontwikkeling werkt. Als bestuursopzichter is hij belast met het toezicht op de dorpen aan de boven-Surinamerivier, waaronder ook het plaatsje Asidonopo.

Zoals ieder bosnegerdorp bestaat Asidonopo uit een aantal vaste elementen. Er is een krutu-huis waar vergaderd wordt, een mortuarium om de doden op te baren, een menstruatiehut voor vrouwen die ongesteld zijn, offerplaatsen voor de voorouders en een stuk of wat `heilige huisjes' waar rituele handelingen worden verricht. Asidonopo is de residentie van granman Songo Aboikoni, het grootopperhoofd van de Saramaccaners. De Surinaamse bosnegers bestaan uit zes verschillende groepen, waarvan de Saramaccaners en de Aucaners de grootste zijn. Doordat iedere groep een eigen granman heeft, vormen de marrongemeenschappen in zekere zin staatjes binnen de staat.

Bernard Konoe vormt de verbindende schakel tussen de traditionele gezagsdragers in het gebied rondom Asidonopo en het ambtenarenapparaat in Paramaribo. In eerste instantie vertegenwoordigt hij de Surinaamse overheid, maar wegens zijn Saramaccaanse achtergrond verwachten de boslandbewoners dat hij hun belangen vooropstelt. ,,Ik moet ervoor zorgen dat ik precies in het midden sta'', verzucht hij.

Konoe is een Belangrijk Man. 's Ochtends om zes uur staan de eerste dorpelingen al op zijn deur te bonzen om hun problemen aan hem voor te leggen. De aandacht van de bestuursopzichter wordt echter opgeëist door dringender zaken. Dorpshoofden en andere hoogwaardigheidsbekleders uit de regio hebben in Asidonopo's krutu-huis een grote bijeenkomst belegd. Het leven van de Saramaccaners lijkt op het eerste gezicht zijn eigen loop te hebben, los van de politieke machinaties in Paramaribo, maar de gevolgen van het beleid dat door de regering Wijdenbosch gevoerd wordt, zijn ook voelbaar aan de boven-Surinamerivier.

De Medische Zending, een organisatie die verantwoordelijk is voor de gezondheidszorg in het hele binnenland, wordt met opheffing bedreigd. Aanvankelijk nam een Nederlands zendingsgenootschap de financiering voor zijn rekening, maar na de onafhankelijkheid valt de Medische Zending onder verantwoordelijkheid van de Surinaamse overheid. Nu deze zo goed als failliet is, kan ze haar verplichtingen niet langer nakomen. Er is al enige tijd geen geld meer om salarissen uit te betalen, medicamenten te kopen of ernstig zieken naar de stad te vervoeren. Het ziet er naar uit dat de 47 posten van de Medische Zending binnen afzienbare tijd moeten sluiten. Een verontrustende situatie, want door het geïsoleerde karakter van de dorpen behoort een goede lokale gezondheidszorg tot de eerste levensbehoeften.

Na urenlange discussie besluiten de dignitarissen dat er een delegatie naar Paramaribo zal gaan om de regering aan te sporen tot het uitbetalen van achterstallige subsidiegelden. Er wordt een plengoffer gebracht en op de apintiedrum geslagen.

Matrilineair

Met een fles Jonge Bols als gastgeschenk en Konoe als tolk, lukt het om een onderhoud met Songo Aboikoni te regelen. Ik wil weten hoe het met zijn vertrouwen in de Surinaamse regering is gesteld. ,,Wijdenbosch heeft toen hij president werd een eed afgelegd'', zegt de granman. ,,Ik neem dus aan dat hij te goeder trouw is.''

Voor Songo Aboikoni is 1975 een belangrijk keerpunt in de geschiedenis van het binnenland. ,,Na de onafhankelijkheid is de situatie verslechterd. Veel bosnegers hebben de laatste decennia hun woonplaatsen verlaten om in Paramaribo of Frans-Guyana te gaan werken. In de dorpen valt niets te verdienen. Van het ontwikkelingsgeld dat in de eerste periode na de onafhankelijkheid richting Suriname ging, is weinig tot niets aan de opbouw van het binnenland besteed. Nu de hulp is stopgezet, is het helemaal een bekeken zaak. Het binnenland is de dupe geworden van een conflict tussen Nederland en Paramaribo.''

De marrons komen er in het postkoloniale tijdperk inderdaad bekaaid vanaf. Wie op zoek gaat naar sporen van de onafhankelijke `marronspirit' komt onvermijdelijk bij Louise Wondel uit. Wondel is een Aucaanse dichteres die in Suriname vooral bekend is door haar optredens met de dansgroep Fiamba. Als voorvechtster van de bosnegercultuur laat ze zich in haar dicht- en danskunst vooral inspireren door haar Aucaanse achtergrond. Op die manier wil ze tegenwicht bieden aan de negatieve ontwikkelingen waarmee de Surinaamse marrongemeenschap zich geconfronteerd ziet.

Met haar achtentwintig jaar mag Wondel zich succesvol noemen. Ze trad op in Ghana en Zuid-Afrika en was vorig jaar een van de jongste deelnemers aan Poetry International te Rotterdam.

Binnen een jaar of wat hoopt ze haar studie sociologie aan de Anton de Kom Universiteit af te ronden, waarna ze een bijdrage wil leveren aan de ontwikkeling van het Surinaamse binnenland. Wondels toekomstige uitvalsbasis is Lantiwee, een Aucaans dorp aan de Cotticarivier, waar haar familie van moeders kant vandaan komt. Dit najaar zullen haar oom en neven een stuk grond ontginnen, waarop haar eigen huis komt te staan. ,,De marrons zijn matrilineair georganiseerd'', legt Wondel uit: ,,De broers van je moeder zijn verplicht een kostgrondje voor je open te kappen en ervoor te zorgen dat je een dak boven je hoofd hebt. Dat zijn de rechten van de marronvrouw!''

Jungle Commando

Na Asidonopo is Lantiwee even slikken: een verzameling verveloze hutten, afgedekt met stukken golfplaat. Aan de Surinamerivier gaat de armoede schuil onder een vernis van folklore en traditie, aan de Cottica is de neergang onverhuld. Die neergang is in dit geval vooral te wijten aan de binnenlandse oorlog. Nadat het junglecommando van de Aucaanse marron Ronnie Brunswijk in 1986 slaags was geraakt met het Nationaal Leger van Desi Bouterse, werd het leven in het Cotticagebied totaal ontwricht. Dorpshoofd Manpoo Wetipai vertelt dat Lantiwee in die tijd helemaal leegliep. Nadat de oorlog in 1992 beëindigd werd, bleven de meeste vluchtelingen weg. Tegenwoordig wonen er nog hooguit vijfentwintig volwassenen in het dorp.

Een van hen is Louises neef Desi, een jonge man van in de twintig. Desi behoort tot de groep van marronmannen die als verloren generatie moet worden aangemerkt. Hij lummelt de hele dag in het dorp rond, zonder doel en zonder de ambitie om daar verandering in te brengen. Volgens Manpoo Wetipai heeft de binnenlandse oorlog met name onder jongeren een morele crisis veroorzaakt. Traditionele normen en waarden werden onder invloed van het oorlogsgeweld niet meer overgedragen. Het onderwijs in de regio kwam volledig stil te liggen. ,,De jeugd heeft een andere mentaliteit gekregen'', zegt Wetipai berustend. ,,Daar is weinig aan te doen.''

Louise Wondel heeft zich niet neergelegd bij de teloorgang van Lantiwee. Door de verbouw van cashewnoten hoopt ze werkgelegenheid te creëren, zodat het voor de jongeren in het dorp aantrekkelijk wordt om te blijven en voor marrons in de stad gemotiveerd raken om terug te gaan. Zelf voelt Wondel zich op haar best wanneer ze in het binnenland is. ,,Bij hen zul je nooit naar beneden vallen. Je kunt alleen maar omhoog.'' Met een stok port ze de zoetste vruchten uit de bomen van Lantiwee. En tegen het vallen van de avond haalt ze met een hengeltje de ene na de andere vis uit de rivier.

Louise Wondel suggereert in haar poëzie dat de Surinaamse marrons de cyclus van leven en dood door eigen toedoen ontregeld hebben. In het gedicht Leleku fu mekunu roept ze het beeld op van een navelstreng waar een vloek aan kleeft. Volgens de filosofie van de bosnegers leidt wangedrag van het individu tot een keten van onheil die generaties lang kan aanhouden. Wondel: ,,Als de zwarten elkaar in Afrika niet aan de blanken hadden verkocht, was er geen slavernij geweest. En zo is het in feite nog steeds. De marrons zijn bezig hun eigen vrijheid te verkwanselen. Niet alleen het binnenland kampt met problemen, ook in de stad neemt de verpaupering toe. Veel marrons hangen werkloos rond of vervallen in criminaliteit. Zo helpen ze zichzelf naar de afgrond.''

Volgens Wondel ligt de oplossing van de problemen niet alleen in hulp van buitenaf. Zelfkennis en gevoel van eigenwaarde zijn even hard nodig. ,,Roep de winti op, en vraag hen te zeggen wie je bent'', schrijft ze in het gedicht Loweman pikin. Net als Bernard Konoe verbindt Louise Wondel de wereld van het bos met het stadsleven. Maar anders dan de bestuursopzichter is ze niet op zoek naar de gulden middenweg: Wondel kiest haar eigen positie. Ook wanneer dat tot contradicties leidt. Ze probeert de marroncultuur in ere te herstellen, maar tegelijkertijd heeft ze weinig weg van de traditionele bosnegervrouw. ,,Iemand van mijn leeftijd hoort allang getrouwd te zijn, of toch in ieder geval kinderen te hebben. Mijn moeder is zelfs bang dat ik door het dansen onvruchtbaar zal worden. Volgens haar is het helemaal niet goed om zo met je buik te draaien!''

Terug in de hoofdstad breng ik een bezoek aan Konoe. De bestuursopzichter zit met een somber gezicht achter een stapeltje papieren in zijn schaars gemeubileerde kantoor. De delegatie uit Asidonopo is tot op heden niet gearriveerd. ,,Ik heb nog geen vat brandstof kunnen krijgen om die mensen naar Paramaribo te vervoeren'', zegt Konoe. ,,Het stond van tevoren natuurlijk al vast dat het zo zou lopen, maar zoiets kun je niet tegen de granman zeggen.'' De Medische Zending is door de regering afgescheept met een geldbedrag dat net voldoende is om een maand of wat vooruit te kunnen.

Het leven van de bosnegers zal volgens Louise Wondel nooit meer worden wat het vroeger was. En waarom zou dat ook moeten? Een marron is uit de aard der zaak iemand die onbekende oevers betreedt, een levenskunstenaar die de herinnering aan Afrika tot een nieuw bestaan omsmeedt. In het bos of in de stad, dansend of dichtend. Louise Wondel weet daar alles van: ,,Ze hebben een hinderlaag/ voor mij in de kreek geplaatst/ maar ik ben er doorheen gebroken/ via het land/ kom niet aan mij/ God zal het voor mij opnemen/ want ik, ik ben/ een Grote Ziel.''