Rariteiten

Het moet op een mooie najaarsdag in 1938 zijn geweest. Ik ging met mijn moeder op de fiets naar Den Briel. Daar kwamen we in het museum terecht. Ik zal er zeker dingen hebben gezien die aan 1 april 1572 doen herinneren, portretten van Lumey, Blois van Treslong, Alva, splinters van de open geramde poort. Het enige wat in mijn geheugen nog hoog boven het oppervlak steekt, is een glazen pot vol vloeistof en daarin een grijs-wit gedaantetje. ,,Dat is een embryo op sterk water. Het is van een schaap'', zei mijn moeder. Fascinerend is zwak uitgedrukt. Het ging om het geheel: de pot, het sterk water en daarin dit wezen.

Toen, denk ik nu, heb ik besloten mijn eigen museum op te richten. Een spijker van de Lutine had ik al – gekregen van ir. H. Bol, hoofd van het goudbaggeren met de Karimata. Bij het graven in een weiland in de buurt vond ik een hondenschedel zonder onderkaak. ,,Eerst schoon koken'', zei mijn moeder. De schedel ging in een pannetje water op een gaspit, gaf donkerbruin schuim af dat overkookte, en de schedel kwam er gelig uit. Op advies van mijn vader streek ik er een laagje vernis op. Daarmee was het een prachtstuk geworden. Er kwam een dode horzel bij, en voor mijn verjaardag kreeg ik een oude, kleine vitrine met een opgezette kaaiman, juist uit het ei. Ik bespaar u de rest van de catalogus. In de loop der jaren is mijn eerste museum langzaam aan zijn eind gekomen, ongeveer als een oude soldaat: just faded away. Daarna heb ik nog wel een paar keer een museum opgericht, altijd met evenveel plezier als de eerste keer.

Nu is het Rembrandthuis in Amsterdam gerestaureerd, zoveel mogelijk in de oude staat hersteld, wat betekent dat ook de kunst camer van de schilder bij benadering zijn oorspronkelijke inventaris heeft. Ik ben er nog niet geweest, hoor en lees er wel aanlokkelijke verhalen over. (Zie ook Rembrandts schatkamer. Publicatie bij de tentoonstelling in Museum het Rembrandthuis. Uitgeverij Waanders; 159 blz. ƒ39,50.) Er ligt, staat en hangt van alles en nog wat, exotische schelpen en koralen, gipsen beelden, prenten en tekeningen. Ik kan het me wel ongeveer voorstellen. Het zal geen ordelijke verzameling zijn maar eerder een rariteitenkabinet.

Daar ligt de wereld van verschil. Mensen die ordelijk verzamelen, wat dan ook, postzegels, koffergrammofoons of oude auto's, zijn specialisten die zich steeds verder specialiseren. Hun verzameling is het resultaat van een gericht fanatisme (en daar bedoel ik niets kwaads mee). De anderen die een rariteitenkabinet inrichten, zijn universalisten die zoveel mogelijk van de hele wereld in hun kamer willen stoppen, liefst mooi overzichtelijk, in vitrines, maar zelfs als alles van etiketten is voorzien, blijft het op het eerste gezicht een eigenaardige rommel, een santenkraam, een samenraapsel. Voor de eigenaar is het een afspiegeling van de werkelijke wereld. Dat is zijn bedoeling. Een rariteitenkabinet heeft een magie, misschien niet zichtbaar voor de buitenstaander, wel voor degene die het heeft ingericht.

Rembrandt was een universalist, Leonardo ook, en Picasso. Dat weten we door hun oeuvre. Ik weet niet of Leonardo een rariteitenkabinet had, maar als dat niet zo is, dan heeft hij het zelf gesticht, het is voortgekomen uit zijn brein dat zich bezighield met alles. Nadat Picasso was gestorven heeft het de erven maanden gekost om zijn atelier onder controle te krijgen. Hij zelf heeft het natuurlijk altijd onder controle gehad. Specialisten vullen hun kasten met meer van hetzelfde; universalisten met meer van het verschillende. De overeenkomst is dat ze er beiden niet genoeg van kunnen krijgen.

De conservator van het Brielse museum die het schapenembryo had verworven, lijkt me een universalist. Dat was goed voor de Brielse kinderen, want, zoals ik hierboven heb geschreven, het werkt aanstekelijk. Het stukje op deze plaats in de krant wordt – neem ik aan – niet vaak door kinderen gelezen, maar wel door vaders en moeders, hoop ik. Ga op zondag met uw zesjarige naar het Rembrandthuis. Het kind is er oud genoeg voor. De meeste kinderen zijn universalisten, ontvankelijk voor de magie van de dingen. Rembrandt kan hun voorbeeld worden. Straks komen ze thuis met een bijzonder steentje, een grote dode tor die ze in een potje willen opbergen, een op het strand gevonden, door zee en zand gladgeslepen stuk hout, de tand van een hond. Over Rembrandt als kind is weinig of niets bekend. Mij zou het niet verbazen als hij, en de conservator van het Brielse museum op zo'n manier waren begonnen.